Pier Paolo Pasolini: zijn laatste rede (2)

Mei 2021 – In Lecce lees ik op een muur een gedicht van mijn held Pier Paolo Pasolini (Bologna, 5 maart 1922 – Lido di Ostia, Roma, 2 november 1975). Ik vraag me af of de tekst een bijzondere betekenis voor deze plek heeft en stuit op de fascinerende geschiedenis van zijn laatste publieke rede, blijkbaar in de stad Lecce, op het schiereiland Salento in de Zuid-Italiaanse regio Puglia.

Pasolini houdt in de ochtend van 21 oktober 1975 zijn beroemd geworden gespreksles Volgar’eloquio (De Vulgaire Welsprekendheid, over de verdediging van het gewone spraakgebruik en dialect) in de vorm van een debat.

Zijn laatste openbare interventie krijgt extra betekenis omdat Pasolini enkele dagen later wordt vermoord. In de nacht van 1 op 2 november 1975, op het strand van Idroscalo di Ostia, 10 km ten westen van Rome, wordt hij in elkaar geslagen en overreden door zijn eigen Alfa Romeo GT Veloce.

In Deel Een beschrijf ik de invloed die Pasolini al sinds mijn 18e op mij heeft en zijn levensloop tot aan Volgar’eloquio, zijn laatste publieke optreden.

Lecce, 21 oktober 1975

De bijeenkomst in Lecce met uiterst rechts organisator Tavo Burat, 1975

Tussen 1968 en 1976 wijst het Italiaanse Ministerie van Onderwijs literaire kopstukken aan, zoals hoogleraar Romaanse talen Mario Sansone, literatuurcriticus Giuseppe Petronio, professor Giuliano Manacorda, dichter Giorgio Barberi Squarotti, historicus Alberto Asor Rosa, schrijver Ettore Mazzali, criticus Bruno Maier, Pier Paolo Pasolini en schrijver / regisseur Ruggero Jacobbi.

Deze vooraanstaande intellectuelen leiden docenten op tot vaandeldragers van de Italiaanse cultuur middels intensieve trainingen en bijeenkomsten. Onderwijs krijgt op deze manier een prominente rol in dit culturele proces. Het is een turbulente periode waarbij onherhaalbare intellectuele en educatieve ervaringen plaats vinden, zoals de cursusweek in Lecce.

In de herfst van 1975 krijgen Gustavo Buratti Zanchi (Tavo Burat, 1932 – 2009) en professor en schrijver Antonio Piromalli (1920 – 2003) de opdracht om voor leraren van het middelbaar onderwijs een cursus over het onderwerp Dialect en school te organiseren. De cursus vindt plaats van 20 tot en met 26 oktober.

Lecce grenst aan de streek Grecìa Salentina (het Grieks sprekende land), waar een etnische minderheid met Griekse wortels leeft. In de roerige jaren ’70 dreigen (niet alleen) in Italië dergelijke geïsoleerde streken in het verdomhoekje te belanden.

Tavo denkt direct aan Pasolini vanwege zijn strijdbaarheid voor wat schrijver en Nobelprijswinnaar (1904) Frédéric Mistral il lengo meprisado (de verachte talen) noemde. Pasolini neemt zonder aarzeling de uitnodiging aan en geeft het een plek in zijn drukke agenda.

Tavo Burat is een schrijver, dichter, journalist (oprichter van La Slòira, een magazine opgesteld in de Romaanse minderheidstaal Piëmontees), docent, Waldens (actief lid van de Chiesa Evangelica Valdese), neo-Dolciniaan en een politiek actieve (socialist, milieu-activist), historische en Italiaanse geleerde. Hij is tevens een verdediger van de taalkundige minderheden en voorstander van lokale autonomie.

Pasolini ‘s ochtends geeft zijn Volgar’eloquio in de aula van de Giuseppe Palmieri middelbare school (Aula Magna del Palmieri, Liceo Classico Palmieri) in de wijk ten oosten van de imposante Porta Napoli. Een bont gezelschap gaat ‘s middags verder in het nabijgelegen stadje Calimera. Samen met de organisatie eet Pasolini hier tuinbonen met witlof en draagt daarna gedichten voor.

Pasolini en Piromalli (l) luisteren naar Cosimino Surdo, Calimera, 21 oktober 1975, © Antonio Tommasi

Omdat de christen-democratische gemeenteraad Pasolini absoluut niet in hun scholen wil zien, vindt deze tweede bijeenkomst plaats in de Griekse cultuurclub Circolo di cultura grecanica di Calimera, gevestigd in het Palazzo Mayro-Murrone aan de Via Mayro. De oude tabaksfabriek is destijds eigendom van de familie van wijlen burgemeester (van Calimera) Giannino Aprile, tevens auteur van de beste verzameling volksliederen van Calabrië, Traùdia. De plek was in alle haast gekozen en niet eens schoongemaakt.

Deze vieze toestand weerhoudt de toestroom van fans niet en in korte tijd zit de fabriek vol belangstellenden die tussen het stof en spinnenwebben genieten van Pasolini’s poëzie en optredens verzorgd door Roberto Licci van de Canzoniere Grecanico Salentino en volkszanger Cosimino Surdo. Pasolini geniet van de lokale en in Griko dialect gezongen muziek die hij alleen van tekst en horen zeggen kent. Aremu rindineddha, het volkslied van Calimera, treft hem in het bijzonder.

Aremu rindineddha door L’Arpeggiata o.l.v. Christina Pluhar

Als er iemand is die zich tegen de dan heersende bureaucratische taal keert, is het Pasolini wel. Het industriële lexicon dat na de oorlog ontstond, werd een politiek wapen. De bevolking die deze taal niet beheerste, werd zo min of meer uitgesloten van deelname aan de maatschappij.

Pasolini realiseert zich al tijdens zijn tienerjaren hoe waardevol en kwetsbaar lokale dialecten zijn. Hij ziet de directe relatie tussen communicatie en handeling en de daaruit ontstane gemeenschappen die uiteindelijk met elkaar een regio, land, volk et cetera vormen. Zijn leven lang verdedigt hij deze wortels van de cultuur en zet zich in voor behoud en gebruik.

Pasolini in Calimera, 21 oktober 1975, © Fondo Piromalli / Antonio Tommasi

Volgar’eloquio

Terug naar het ochtendprogramma in Lecce. Deze bijeenkomst is onderdeel van een opfriscursus voor docenten. De cursus wordt ook bijgewoond door universiteitsstudenten en middelbare scholieren. De aula zit vol.

Pasolini start met een voordracht van het slot van zijn, op dat moment nog niet gepubliceerde, monoloog Bestia di stile, en een lezing van zijn meest recente artikel in dagblad Corriere della Sera, getiteld Afschaffing van het leerplicht en de televisie. Hij besluit al snel tot een gesprek met zijn publiek.

De ‘les’ ontwikkelt zich, door de vragen van leraren en leerlingen over de toestand van de dialecten langzaam naar de bekende hoofdthema’s van Pasolini:

• de rol van de school en de paradox van de massa-ontscholing, zie ook de publicatie Ontscholing van de maatschappij (1970) Ivan Illich (1926 – 2002),
• de consumptieve ‘genocide’ (massacultuur gericht op consumptie en de daar uit ontstane nieuwe mens),
• het lot van minderheidstalen en onafhankelijkheid van minderheidsgroepen,
• de retoriek van gedecentraliseerde territoriale autonomieën (bevoegdheden minder centraal geregeld, zie op deze pagina). Pasolini komt zelf uit een van de vijf regio’s Valle d’Aosta, Sardinië, Sicilië, Trentino – Alto Adige en Friuli-Venezia Giulia met een erkende autonomie,
• homologatie (goedkeuring) van ondergeschikte culturen,
• de conservatieve mutatie van de communistische partij,
• het idee van een utopisch ‘subliem recht’ (lees bijvoorbeeld Italo Calvino, De onzichtbare steden uit 1972),
• censuur en valse tolerantie,
• en de commodificatie (verhandelbaarheid) van seks.

Pasolini voorziet een maatschappelijke revolutie die de Italiaanse samenleving verandert. Hij stelt aan de kaak dat goede burgers niet langer nodig zijn, maar alleen nog goede consumenten. Dit brengt een antropologische mutatie teweeg die ten koste gaat van bestaande culturen.

“Iedereen weet dat wanneer de uitbuiters goederen produceren, ze in feite sociale patronen produceren. De uitbuiters van de tweede industriële revolutie (consumptiemaatschappij gekenmerkt door kwantiteit, overtollige goederen en hedonisme) produceren niet alleen nieuwe goederen: ze produceren ook een nieuwe mensheid.”

“Consumentisme kan de nieuwe sociale patronen die de uitdrukking zijn van nieuwe productiemethoden onveranderlijk maken door via hedonistische ideologie een context van valse tolerantie en valse lekenwaarden te creëren.

In feite is wat Pasolini in de jaren ’60 en ’70 opmerkt een opmaat naar het nu allesoverheersende consumentisme waarbij een samenleving ontstaat door goedkeuring van de consument, gevoed door het conformisme van de nieuwe geestelijken van links, geïnfecteerd met eigentijds fascisme (en opkomst van extreem rechts), waar het subproletariaat (menging van legale en illegale arbeid door vluchtelingen en gastarbeiders) vrij spel krijgt en de toestand en het lot van de cultuur en taal van de ondergeschikte klassen (en minderheden) worden veroordeeld en dus verdwijnt. De taal van de TV (en massamedia, reclame et cetera) neemt de overhand en wordt de belangrijkste invloed op een maatschappij.

Pasolini luistert aandachtig naar wat de aanwezigen te zeggen hebben. Calimera, 21 oktober 1975, © Antonio Tommasi

Tijdsbeeld: Europa 50 jaar geleden

In het naoorlogse Europa geven strijdbare groepen als de ETA (Euskadi Ta Askatasuna: Baskenland en Vrijheid, actief in 1959 – 2018) en IRA (Irish Republican Army, actief in 1916 – 2005) gewelddadig gehoor aan rechtvaardiging van de subculturen die zij vertegenwoordigen. In de woorden van Pasolini: “Deze strijd om separatisme is niets anders dan de verdediging van dat culturele pluralisme, dat is de realiteit van een cultuur.” De heersende (overheersende?) maatschappijen geven eigenlijk geen andere alternatieven dan aanpassing of aansluiting op een massacultuur.

Volgens Pasolini ontstaat in december 1964 het Italiaans taal als nationale taal. Giuseppe Saragat werd toen na een ingewikkelde verkiezing de eerst linkse president van Italië. Vanaf dat moment worden regio’s zoals het (armere) Zuiden uitgesloten van volwaardige deelname aan de maatschappij, die in twee delen uiteenvalt: het proletariaat en de welvarende burgerij die profiteren van de goedkope arbeid. In de ca. 25 jaar na de oorlog trekken veel Zuid-Italianen voor werk naar het Noorden. De technologische vooruitgang die plaatsvindt in en rond Turijn en Milaan zet de toon voor een samenleving waar minder plek is voor authentieke gemeenschappen. Taal speelt hier een onderschatte sleutelrol.

In het Italië van de jaren ’60 en ’70 speelt een gedicteerde cultuurnorm de hoofdrol. Het rijke noorden geeft aan hoe het uit ontelbare microculturen bestaande land zich behoort te gedragen. Dit wringt aan alle kanten en er ontstaat al snel een kloof tussen het armere Zuiden en het rijke, moderne industriële Noorden. Onderwijs lijkt de oplossing om culturele verandering in te zetten.

Pasolini ondersteunt het onderwijzen van dialect op scholen. Hij ziet streek- en volkstalen als onderdeel van het grote geheel binnen een samenleving, waarbij elk dialect een vanzelfsprekende plek heeft. In de oprukkende moderne tijd lijkt geen plek voor lokale historische waarden en normen, en worden dialecten gestigmatiseerd en aangewezen als minderwaardig en ouderwets. Ik zie zelf in het Nederland van de jaren ’70 hoe volkscultuur tegenover massacultuur staat.

Het is een niet te onderdrukken behoefte, van met name jeugd, om de eigen identiteit kracht bij te zetten met taal die nog geen gemeengoed is of bij een specifieke subcultuur hoort. Noem het underground. Vanaf de tweede helft van de 20e eeuw wordt de Nederlandse taal verrijkt met vocabulaire uit de Turkse, Marokkaanse, Surinaamse, Antilliaanse en Amerikaanse culturen. Bij veelvuldig gebruik mengt zich dit inmiddels als vanzelf in de gangbare spreektaal. Niet veel later omarmt Van Dale deze woorden voor goedkeuring in schrijftaal. Muziek-, film-, sociale media- en TV-cultuur speelt in deze taal-evolutie een grote rol.

Vreemd genoeg is adaptie van ‘eigen’ historische streektalen minder vanzelfsprekend. Denk aan het Frysk, Flakkees, Lèmbörgs en Nedersaksische dialecten zoals Twents en Achterhoeks. Stadse dialecten zoals het Haags, Amsterdams en Utrechts hebben een aparte en meer geaccepteerde plek in het Nederlands taalgebruik. Toepassing van termen of kenmerkende uitdrukkingen zijn gebruikelijk. Dit geldt in mindere mate voor het Jiddisch en het Sinti-Romanes. Om over talen van andere gesloten gemeenschappen, zoals Chinezen, maar te zwijgen.

De situatie van het Griko is neipender: zelfs Griekenland weet amper van het bestaan van de taal, haar gebruik en sprekers af! In feite is het een met uitsterven bedreigde taal die Pasolini wil beschermen en behouden. “Dialecten zijn een kostbaar bezit en een erfenis uit ons verleden die in het taalkundig erfgoed van de jongere generaties moet blijven”, aldus Pasolini. Maar hij gaat veel verder en mengt zijn observaties tot een totaalvisie die radicaal en resoluut moet breken met een beweging die hij abject vindt en afkeurt. Dit komt tot uiting in zijn films, artikelen en publieke optredens.

Pasolini luistert aandachtig naar wat de aanwezigen te zeggen hebben. Calimera, 21 oktober 1975, © Antonio Tommasi

Route naar een barbaarse beschaving

Pasolini: “Consumentisme is een absoluut nieuwe, revolutionaire vorm van kapitalisme, omdat er nieuwe elementen in zitten die kapitalisme revolutioneren. Zo ontstaat er een hedonistische functie (bron van esthetisch plezier, vreugde) vanwege de productie van overtollige goederen op immens grote schaal. Door deze ontdekking zal er een nieuw type mens opstaan.” Zoals iedere westerling kan zien, is dat in de 21e eeuw aan de hand.

Zijn aanklacht keert zich tegen de Italiaanse maatschappij die via TV, de nieuwe totem, massacommunicatie spuwt, op weg naar een marktgerichte samenleving: “Productieprocessen produceren niet alleen goederen, maar ook sociale betrekkingen, die in feite niets anders zijn dan ‘menselijkheid’.”

Teksten van Pasolini ontleden, valt niet mee. Zeker niet omdat zijn filosofie gezien moet worden in de tijd waarin hij leeft. In mijn eerste deel schrijf ik hoe en waar hij opgroeit, in het noordoosten van Italië, op de grens met Slovenië, in een gebied waar eeuwenlang culturen en talen samenkomen. Een plek die verre van op zichzelf staat: vlees nog vis en tegelijkertijd een melting pot. Sinds het begin van de 20e eeuw eisen Europese landen niet alleen hun grenzen op, maar ook hun volken, met nare gevolgen van dien. Wie de afgelopen decennia met die bril naar de wereld kijkt, ziet waar Pasolini vlak voor zijn dood over sprak.

Pasolini: “Het nieuwe tijdperk van de mensheid, het tijdperk van de toegepaste wetenschap, valt samen met de technocratisch-technologische taal die onnatuurlijk gevormd en massaal omarmd is. Alle woorden zijn technische termen. (…) Wanneer de mensen op dezelfde wijze getemd zijn, zullen hun woorden verwijzen naar verhoudingen die voor allen gelijkelijk bepaald zijn.”

Bijeenkomst in de Griekse cultuurclub Circolo di cultura grecanica di Calimera, gevestigd in het Palazzo Mayro-Murrone aan de Via Mayro. Calimera, 21 oktober 1975, © Antonio Tommasi

Pasolini: “De consumptiemaatschappij vermaalt een cultuur tot een universele eenheidsworst. Alles wat authentiek is, verdwijnt. De antropologische ramp die zich onder onze ogen voltrekt, is een dictatuur die veel effectiever is dan het fascisme.”

Het laatste deel van mijn trilogie gaat over de relatie tussen Pasolini en Oriana Fallaci.

Nota bene

NB 1. Het beschreven bezoek van Pasolini was niet zijn eerste aan het schiereiland Salento. In 1959 reist hij naar het Zuiden richting Magna Graecia in een Fiat 1100 voor de reisreportage La lunga strada di sabbia voor Successo magazine. Hij valt voor het gebied ten zuidoosten van de stad Lecce, een van de twee Italiaanse streken waar Griekse invloeden aanwezig zijn, en bezoekt onder andere Gallipoli en Capo di Leuca. Geïnspireerd schrijft hij teksten voor de korte documentaire Stendalì, geregisseerd door Cecilia Mangini (1927 – 1921). Zoals in de clip hieronder te zien is, gaat de film over begrafenisliederen. Mangini wordt beschouwd als de eerste vrouwelijk Italiaanse documentairemaker. Pasolini was ook betrokken bij haar eerste film Ignoti alla città uit 1959.

Al eerder, in 1955, raakt Pasolini geïnteresseerd in de tweede door Griekse invloeden geraakte Italiaanse streek, in het uiterste puntje van Calabria. In 1974 keert hij terug om stemacteurs te vinden voor zijn film Il fiore delle mille e una notte. Iets later maakt hij in Calimera opnamen met volkszanger Cosimino Surdo die hij opnieuw ontmoet tijdens het optreden in de middag van 21 oktober 1975.

Het gezelschap gastheren en -vrouwen en genodigden rondom ‘Volgar’eloquio’, het laatste publieke optreden van Pier Paolo Pasolini. Van links naar rechts: onbekend, Gustavo Buratti (Tavo Burat), Don Guiseppe Faraco, Marisa Rinaldi, Pier Paolo Pasolini, Clara Russo, schrijver Antonio Piromalli en onbekend. Calimera (Lecce), 21 oktober 1975.

NB 2. De dialogen van die dag zijn opgenomen door Gabriella Chiarcossi, die inmiddels al ruim 45 jaar de werken van Pasolini bestudeert, conserveert en archiveert. Op Youtube is een opname van een deel van het optreden van Pasolini te beluisteren.

NB 3. Op de website van Antonio Piromalli is Volgar’eloquio in boekvorm (uitgave 2015) te bestellen.

NB 4. Pasolini’s rede Volgar’eloquio (De Vulgaire Welsprekendheid, over de verdediging van het gewone spraakgebruik en dialect) verwijst naar het boek De vulgari eloquentia van de Italiaanse dichter, schrijver, moraalfilosoof en politicus Dante Alighieri (Florence, 14 mei of 13 juni 1265 – Ravenna, 14 september 1321). Dante is bekend van La divina commedia uit circa 1320.

Aremu rindineddha door Ghetonìa, Roberto Licci, Emanuele Licci en Salvatore Cotardo

NB 5. Grecìa Salentina bestaat tegenwoordig uit elf dorpen met een totale bevolking van ongeveer 40.000 mensen. Ongeveer 25.000 spreken Griko. In het armere Calabrië wonen ongeveer 9.000 mensen in negen dorpen die samen de regio Grecano vormen. Via de Europese Unie lopen er ontwikkelings- en stimuleringsprogramma’s.

Trilogie:
Deel 1, aanloop naar zijn laatste rede

Deel 2, zijn laatste rede in Lecce en Calimera
Deel 3, relatie met Oriana Fallaci