Albert Mensinga Creative

Pier Paolo Pasolini: aanloop naar zijn laatste rede (1)

April 2020 –In april 2019 bezochten Lilian en ik voor de tweede maal de heerlijke stad Lecce, op het Italiaanse schiereiland Salento in de regio Puglia.

Totaal onverwachts kwam ik op een muur een gedicht van Pier Paolo Pasolini (Bologna, 5 maart 1922 – Lido di Ostia, Roma, 2 november 1975) tegen.

Ik vroeg me af of de tekst een bijzondere betekenis voor deze plek had en stuitte op de fascinerende geschiedenis van zijn laatste publieke rede, blijkbaar hier in de stad Lecce.

Verkeersplein kruising Viale dell’Università met links het begin van de Via Taranto – © Google Maps

Mijn oog viel bij een eerder bezoek al op een markant gebouwtje naast het verkeersplein met de Obelisco, aan de entree van de sfeervolle Via Taranto. Op een van de muren staan de woorden van Pasolini geschilderd. Voordat ik in het verleden duik en het laatste optreden van Pasolini beschrijf, geef ik wat kader. Want velen hebben geen idee wie Pasolini was.

Wat vooraf ging…

Gustavo Buratti Zanchi (1932 – 2009), ook wel Tavo Burat, was een schrijver, dichter, journalist (oprichter van La Slòira, een magazine opgesteld in het Piëmontees, een Romaanse minderheidstaal), docent, Waldens (actief lid van de Chiesa Evangelica Valdese), neo-Dolciniaan en een politiek actieve (socialist, milieu-activist), historische en Italiaanse geleerde. Hij was tevens een verdediger van taalkundige minderheden en voorstander van lokale autonomie. In die laatste hoedanigheid nodigde Tavo Burat in de herfst van 1975 zijn vriend Pasolini uit voor een optreden in Lecce.

Pasolini hield op 21 oktober ‘s ochtends zijn beroemd geworden gespreksles Volgar’eloquio (De Vulgaire Welsprekendheid, over de verdediging van het gewone spraakgebruik en dialect) in de Palmieri middelbare school in de wijk ten oosten van de imposante Porta Napoli.

’s Middags ging een bont gezelschap verder in het nabijgelegen stadje Calimera. In de Griekse cultuurclub Circolo di cultura grecanica di Calimera*, gevestigd in het Palazzo Mayro-Murrone aan de Via Mayro 51, droeg Pasolini gedichten voor en werd het programma voortgezet met zang en dans.

Zijn laatste openbare optreden krijgt extra betekenis omdat hij enkele dagen later wordt vermoord. In de nacht van 1 op 2 november 1975, op het strand van Idroscalo di Ostia, 10 km ten westen van Rome, werd Pasolini in elkaar geslagen en overreden door zijn eigen Alfa Romeo GT Veloce.

* Het dorpje Calimera ligt 10 km ten zuiden van Lecce, in Grecìa Salentina, een linguïstisch gebied van negen gemeenten waar Grecanico (Grico), een oude Griekse taal, wordt gesproken. Deze historische regio vormt het hart van het schiereiland Salento.

Via Mayro, Calimera – © Google Maps 2020

Het gedicht in Lecce

De Via Taranto in Lecce is voor mij en Lilian een speciale plek. Misschien zijn het de buurtwinkeltjes, de gammele barretjes, de opticien waar ik mijn bril kocht, het eenvoudige eettentje waar we tijdens een stortbui invluchtten en van een onwaarschijnlijk heerlijke lunch genoten, de verkoeling en het gefilterde licht tussen de bomen, de wandeling naar de supermarkt aan het eind links, in de overgang van de oude stad naar de naoorlogse nieuwbouw…

In april 2019 bezochten we Lecce opnieuw voor een tweewekelijkse cursus Italiaans. ’s Ochtends les, na de lunch de stad in en ’s avonds op culinaire avonturen. We liepen regelmatig door de Via Taranto, van ons appartement naar de stad. Op een dag staat het licht goed op de woorden van Pasolini en maakte ik deze foto:

La religione del mio tempo / Viale dell’Università. NB. Thans wordt het gebouw gerestaureerd en is het gedicht verdwenen.

Het vreemd ronde gebouwtje lijkt op een lang geleden gesloten krantenkiosk. Richting oude stad kijk je naar de massieve Porta Napoli en de scharrige universiteitsgebouwen die parallel lopen aan de drukke Viale dell’Università.

Tot ik dit blog schrijf, had ik geen idee van de woorden die Pasolini toen schreef. Ik zocht het gedicht op en vertaalde het in mijn eigen woorden.

La religione del mio tempo

(Milano, uitgeverij Garzanti, 1961)

– Nei rifiuti del mondo,
Nasce un nuovo mondo:

nascono leggi nuove
dove non c’è più legge;

nasce un nuovo onore
dove onore è il disonore…

– Nascono potenze e nobiltà,
feroci, nei mucchi di tuguri,

nei luoghi sconfinati dove credi
che la città finisca, e dove invece
ricomincia, nemica, ricomincia
per migliaia di volte, con ponti
e labirinti, cantieri e sterri,

dietro mareggiate di grattacieli,
he coprono interi orizzonti.

In mijn woorden:

De religie van mijn tijd

(Milaan, uitgeverij Garzanti, 1961)

– In het afval van de wereld
wordt een nieuwe wereld geboren:

Nieuwe wetten worden geboren
waar geen wet meer is;

een nieuwe eer wordt geboren
waar eer eerloosheid is…

– Zij met bevoegdheden en van adel worden geboren,
woest, in de stapels krotten,
op grenzeloze plaatsen
waar je denkt dat de stad eindigt,

en waar de stad in plaats daarvan
opnieuw, als een vijand, begint
duizenden keren opnieuw,
met bruggen en labyrinten,
bouwplaatsen en grondwerken,

achter een branding van wolkenkrabbers,
bestrijken ze hele horizonten.

Onderaan deze pagina schreef ik een nog vrijere vertaling, die wellicht minder letterlijk is maar de politieke en existentiële lading sterker aanzet.

Wat Pasolini voor mij betekent

In 1985 ben ik 18 en maak kennis met het fenomeen Pasolini. Hij maakte op mij een onuitwisbare indruk. Pier Paolo sneed kwesties aan die me blijvend achtervolgen. Zijn verschijning spreekt mij ook aan: hij is een krachtige figuur om te zien, met een ruwe kop en typisch Italiaans haar. Hij bedekte zijn priemende ogen vaak met een indrukwekkende zonnebril. Tussen typische tienerhelden als Bono, Malcolm X en Jan Wolkers sloeg hij toen geen gek figuur.

Homo of niet, ik kan me moeiteloos verplaatsen in zijn eclectische multi-issues en intense aanpak der dingen. Pasolini was een dissident, een katholieke marxist, een dwarse criticus die onomwonden zijn meningen vorm gaf in schrift, beeld, geluid en fysieke optredens. Hij stond voor wie en wat hij was, en was links noch rechts. Hoe kon iemand zo duidelijk zijn en tegelijkertijd zo divers en uitgesproken?

De combinatie van factoren, de mix van kunst, kritische statements en zijn uitingen zoals waanzinnig vormgegeven films met spectaculaire onderwerpen gesitueerd in brute omgevingen, boeien mij nog steeds mateloos en zuigen mij telkens verder zijn universum in. Stapje voor stapje diep ik de onderwerpen uit die Pasolini mij toen, en nog steeds, bezighouden. Ik neem de tijd.

Stap voor stap

Hij is een van de weinige figuren – influencers – uit mijn jeugdjaren die ik trouw blijf. Niet alleen vanwege zijn kunstuitingen maar meer nog door mijn continue uitdieping van zijn gedachtengoed. Zo maakt hij zich sterk voor behoud van lokale Italiaanse dialecten en de cultuur die erbij hoort. Daar gaat ook Volgar’eloquio over.

Voor een Rotterdams knulletje uit een gezin met een voorliefde voor de lappendeken van Nederlandse micro-culturen, opgroeiend in de uitbreidingswijken van Delft, zomervakantie vierend in Twente en Vlaanderen en met een onstilbare honger naar antropologische kennis, kwam de grote wereld ergens midden jaren 80 samen in een persoon die mij duidelijk aangaf dat binnen een cultuur het gedrag van het individu bepalend is om die cultuur vorm en betekenis te geven. De Renaissance (officieel 14e t/m 16e eeuw) loopt wat mij betreft door tot in onze tijd.

[Intussen ontdekte ik Verlichting Nu! van Steven Pinker, die het met deze stelling eens is – 2025]

Maar het gaat verder. Tijdens zijn te korte leven, Pasolini werd 53, plaatste hij kritische noten bij de naoorlogse ontwikkeling van de (Italiaanse) maatschappij. Hij legde accenten op thema’s als (over)consumptie, effect van economische groei op milieu, fascisme en de laksheid (of het gemak) waarmee de burger ‘alles’ maar over zich heen liet komen. Deze thema’s spreken mij ongelofelijk aan en zijn actueler dan ooit.

Daarnaast was hij net als ik een eclectisch en mateloos persoon. Iemand die zich recht voor zijn raap uitliet en constant onderzocht wat hem bezighield, daarbij niet geremd door conventies, aangegeven grenzen of spelregels, heersende ethiek of verhoudingen. In elke vorm die hij opleverde, maakte hij een statement met een krachtig verhaal. Elk gebaar was wezenlijk en verre van argeloos. Terloops bestond niet voor hem. Voor mij ook niet overigens.

Dat Pasolini zich juist niet bezighield met de opbouw van een oeuvre of zich beperkte tot een eigen territorium, trekt mij des te meer aan. Hij gooit zijn lichaam in de strijd en trok zich van angst en schaamte niet veel aan. Dit is voor mij een herkenbaar gevaar. Zonder partner die mij bewaakt, loop ik met versnelde pas af op zaken die niet goed voor mij kunnen zijn. Zover als Pasolini ging, ga ik niet.

Tijdloze issues

In Pasolini vond ik eindelijk een soortgenoot die zich ook verdiept in andere culturen en volkeren, met alle gewoonten en gebruiken die daarbij horen. Eindelijk: iemand die de parallel naar de moderne tijd legt en de geschiedenis goed kent of onderzoekt, en begrijpt, uitlegt en projecteert op het nu!

Zijn beschrijvingen (films, boeken, artikelen, lezingen) blijven om die reden voor mij tijdloze documenten. Gemaakt in een bepaalde periode en (voor wie het herkent) reflecterend op de tijd waarin ze zijn gemaakt. Altijd met die genadeloos duidelijke link naar nu.

De komende generaties kunnen via zijn films leren van geschiedenis, heden en toekomst. Voor mij ondersteunen ze mijn levensbeschouwing en geven richting en houvast bij iedere stap die ik maak. Pasolini sneed in zijn werk en optredens onderwerpen aan die ook nu nog ongekend actueel zijn. Wat is er in de tussentijd gebeurd? Wat is de invloed van zijn woorden, zijn visie en zijn voorspellingen?

Als frequent bezoeker van bibliotheek en boekenwinkel speur ik vanaf het midden van de jaren 80 naar boeken van Pasolini, maar meer dan enkele vertaalde essays van zijn hand trof ik niet aan. Wel vond ik verslagen, beschrijvingen en beschouwingen van zijn werk en leven, kritiek van tegenstanders en veel onbegrip over de rol die Pasolini speelde in de jaren 50, 60 en 70. Toch wel begrijpelijk als je in die tijd openlijk homoseksueel, communist en criticaster van ‘het systeem’ was.

Pasolini is bij het grote publiek bekend van zijn controversiële films. Aangezien ik het Italiaans niet machtig ben, beperk ik me tot zijn ondertitelde werk. In het Haagsche Filmhuis verslond ik zijn epische Medea (1969, met Maria Callas), genoot van de rauwe Accattone (1961) en keek vol verbijstering naar de bijbelverfilming Il vangelo secondo Matteo (1964). Op de VPRO en de Belgische TV zag ik de Griekse tragedie Edipo Re (1967) en het Middeleeuwse Il Decameron (1971).

Bij Salò o le 120 giornate di Sodoma (1975) haakte ik af. Ik begrijp welke statements Pasolini wilde maken en ben nog steeds niet klaar voor zijn versie van decadentie, overdadigheid, misbruik van macht en de beelden die hij daar bij vond horen. Ik voel geen prikkel voor een re-view. Al begrijp ik de verwijzing naar de naoorlogse Republiek van Salo en het gevaar van het steeds sterker opkomende fascisme in Europa waartegen zijn film een aanklacht is.

Eenzame fan

Tot nu vond ik geen gelijkgestemden om mijn interesse in Pasolini mee te delen. Medea zag ik tweemaal met een Callas-fan, en dat was het. De met veel pathos aangezette filmbeelden boeien vrijwel iedereen. Maar de intensiteit, de dynamiek, het drama, de datering en daarmee traagheid van de films zijn voor menigeen niet te verteren. Ik besef dat de inhoud en de wijze van vertellen nogal wat van lezer en kijker vergen en moet dus eenzaam berusten in mijn belangstelling voor mijn held Pasolini. Zijn schrijfwerk van na 1966 wordt gelukkig steeds vaker relevant gevonden en dient regelmatig als duiding van de actualiteit.

Pasolini benoemde gedurende zijn leven onverbloemd en ongeremd zaken die hem bezighouden. Alleen al vanwege zijn vitaliteit en nieuwsgierigheid blijft hij voor mij een toetssteen voor mijn kijk en aanpak op het leven om mij heen. Hij blijkt telkens een gids op een pad dat mij toevallig overkomt maar wat hij veel eerder bewandelde en dus beter kent.

De rol van zijn verbondenheid met Salento was voor mij nieuw. En ik werk dan ook met plezier de aanloop naar en de omstandigheden van zijn laatste publieke rede uit.

Maar eerst iets over de man zelf. Ten eerste om zijn achtergrond duidelijk te maken en ten tweede om uit te leggen waarom hij voor mij zo’n ongelofelijk belangrijke en inspirerende figuur is.

Wie was Pasolini?

Globaal bekeken is Pasolini een mega-interessante figuur uit het na-oorlogse Italië. Hij wordt beschouwd als een van de grootste kunstenaars en intellectuelen van de twintigste eeuw. Pasolini is met name bekend als cineast en schrijver maar hij was ook schilder, filosoof, journalist, linguïst, vertaler en essayist.

Hij schreef niet alleen in het Italiaans, maar ook in het Friulisch, een Reto-Romaanse (Alpenromaanse) taal die wordt gesproken (en niet geschreven) in het uiterste noordoosten van Italië. Dit is de autonome regio waar zijn moeder vandaan kwam. Lerares Susanna Colussi (10 maart 1891 – 1 februari 1981) werd geboren in het stadje Casarsa della Delizia in de Noord-Italiaanse regio Friuli-Venezia Giulia.

Het gezin Pasolini woonde vanaf 1921 in Bologna. Een jaar na het huwelijk wordt Pier Paolo op 5 maart 1922 geboren uit Susanna en Carlo Alberto Pasolini (26 juni 1892 – 19 december 1958), een Bolognese infanterieofficier en lid van Pasolini dall’Onda, een oude adellijke familie uit Ravenna. Vanwege het beroep van Carlo Alberto verhuist het gezin bijna jaarlijks. Als op 4 oktober 1925 (broertje) Guidalberto ‘Guido’ Pasolini wordt geboren, wonen ze in Belluno, 40 km boven Venetië.

Een jaar later, op 31 oktober 1926, verijdelde vader Pasolini de aanslag op zijn werkgever Benito Mussolini. Carlo Alberto herkende een 15-jarige jongen als anarchistische bommengooier. Vervolgens trapten fascisten de onfortuinlijke Anteo Zamboni tot de dood er op volgt.

In 1928 verhuisde het gezin naar Casarsa della Delizia, naar het ouderlijk huis van moeder Susanna. Zij ging weer aan de slag als lerares nadat vader Carlo Alberto gearresteerd werd vanwege schulden en vastgezet. De verstilde landelijke omgeving van de provincie Pordenone stond in schril contrast met de dynamische Italiaanse steden die zich na de Eerste Wereldoorlog ontwikkelden tot moderne leefomgevingen vol techniek, politiek en fascisme. De natuur werd een onuitputtelijke bron van inspiratie voor de jonge Pier Paolo.

Tienerjaren

Een jaar later werkte papa Carlo Alberto in het dorpje Sacile, in dezelfde regio, en begon zijn oudste zoon met tekenen en schrijven. Hij slaagde in 1932 voor zijn toelatingsexamen tot het gymnasium van Conegliano. Halverwege het schooljaar werd vader weer eens overgeplaatst en vervolgde Pier Paolo zijn studie in Cremona, de hoofdstad van de provincie Lombardije. Het gezin woonde er vervolgens 3 jaar rustig in een hoekwoning op de kruising van de Via Il Febbraio met de Via Platina. Tot 1935 doorliep Pier Paolo het Ginnasio Daniele en ontpopte zich tot een actieve puber.

Zijn belevenissen in Cremona inspireren Pier Paolo (in 1948/1949) tot het autobiografische Operetta Marina. Pas in 1994 wordt dit jeugdwerk uitgegeven. Het vormt samen met Romàns, over een priester en een communist in het landelijke Noord-Italië, plus zijn artikel voor de linkse periodiek Progresso een drieluik (ISBN-10: 8823512042).

In zijn vroege schrijfwerk schijnen twee invloeden al vroeg door. Die van dichter, schrijver, moraalfilosoof en politicus Dante Alighieri en de Franse intellectueel, romanschrijver, essayist en criticus Marcel Proust. Met eenvoudige en poëtische taal riep Pasolini beelden op uit zijn nabije omgeving en beschreef hij het leven om hem heen.

Zijn vader werd regelmatig overgeplaatst en vanaf 1935 betrekt het gezin een woning in Scandiano in de regio Emilia-Romagna. De 13-jarige Pier Paolo schudde daar alle religieuze achtergrond van zich af en stortte zich in de wereld van kunst, poëzie en literatuur. Met succes rondde hij het gymnasium in Reggio Emilia af en studeerde daarna door aan het Luigi Galvani, een klassieke, wetenschappelijke en taalkundige middelbare staatsschool als voorbereiding op de universiteit in Bologna. Pasolini ontmoette er Luciano Serra, zijn eerste vriend die later, net als hij, schrijver wordt.

Met Luciano deelde Pier Paolo de liefde voor literatuur, lokale dialecten en politiek. Hij startte in de komende jaren met studievrienden Ermes Parini (Paria), Franco Farolfi, Fabio Mauri en Elio Melli een clubje voor literaire discussies en organiseerde openbare lezingen over schrijvers als Fjodor Dostojevski, Tolstoj en Shakespeare. Ter ontspanning speelde Pier Paolo graag voetbal. Al snel is hij aanvoerder van het universiteitsteam.

In 1939 schreef de briljante leerling zich in aan de Faculteit der Letteren van de Universiteit van Bologna. Daar ontdekte hij nieuwe culturele passies zoals Romaanse filologie (taalkunde die zich richt op dode talen) en de esthetiek van de figuratieve kunst. Hij kreeg les van de veelgeprezen kunsthistoricus Roberto Longhi (1890 – 1970), die vanaf 1935 in Bologna doceerde.

Pasolini zoog alle kennis op die hij tegenkwam, van klassieke Griekse schrijvers tot Freud. Naast kunst en cultuur was er politiek. De fascistische bijeenkomsten van de GUF (Gruppi Universitari Fascisti) in en om de universiteit stonden in schril contrast met de opkomst van de nieuwe stromingen in de Italiaanse poëzie en literatuur. Toch nam Pasolini deel aan de door GUF georganiseerde activiteiten. Hij maakte deel uit van de kleine groep die de kiem vormde van een frisse wind door het lokale literaire landschap. Onder hen bevonden zich Roberto Roversi en Francesco Leonetti, beide schrijver, dichter, journalist en docent.

Oorlogsjaren en eerste publicaties

De realiteit van de Tweede Wereldoorlog kwam hard binnen als soldaat vader Pasolini in Oost-Afrika door de Britten gevangen wordt genomen. In die jaren hield het incomplete gezin ‘vakantie’ bij moeder Pasolini in het ouderlijk huis in Casarsa. 

In 1941 startte Pier Paolo met zijn vrienden het literaire tijdschrift Eredi op. Het bleef bij een poging want vanwege de beperkingen van de oorlog was drukwerk vrijwel onmogelijk. Toch lukte het hem om op eigen kosten zijn eerste publicatie Poesie a Casarsa (gedichten in Casarsa) te realiseren. Dit werk, bestaande uit 14 gedichten in het Friulisch, kwam op 14 juli 1942 uit bij uitgeverij La Libreria Antiquaria Mario Landi di Bologna.

Academicus en filoloog Gianfranco Contini (1912 – 1990) merkte de bundel op en wijdde er zijn essay On the edge of dialect poetry aan, op 24 april 1943 gepubliceerd in het Zwitserse en Italiaanstalig dagblad Corriere del Ticino. De uitgave was meer dan een literair statement: het was een aanklacht tegen het fascisme. Om die reden is het werk historisch belangrijk en ook nu nog gelezen.

Terug naar najaar 1942, waarin veel gebeurde. De fascistische jongerenorganisatie GIL (Italiaanse jeugd van Littorio, 1937-1943, in feite de Italiaanse evenknie van de Duitse Hitlerjugend) nam haar taak serieus om jongelingen spiritueel, literair, cultureel en sportief te ontwikkelen. Pasolini was adjunct-redacteur en illustrator van het lijfblad, Il Setaccio (Bologna, november 1942 tot 7 mei 1943), vertaalt als De Zeef, en maakt vier nummers. Hij gebruikte de periodiek als platform voor zijn creatieve uitingen en had de ambitie de fascistische jeugd aan de poëzie te krijgen.

In zijn ogen kwam zijn echte carrière daar van de grond. Al snel kwam Pasolini in conflict met de verantwoordelijke GIL-directeur, de fascist Giovanni Falzone. Pasolini kreeg steeds meer aversie voor de ideologie, mede gevoed door zijn vriendschap met de joodse dichteres Giovanna Bemporad. Ook zij leverde bijdragen aan Il Setaccio en behoorde tot de vriendenclub met wie hij de zomermaanden in Casarsa doorbracht.

Na deelname aan een studentenreis naar nazi-Duitsland, najaar 1942, schreef Pier Paolo zijn artikel Cultura italiana e cultura europea a Weimar, gepubliceerd in het GUF magazine. Dit stuk gaf weer hoezeer Pasolini’s culturele streven niet strookte met de bedoelingen van het tijdschrift. Diezelfde tijd werd ook pijnlijk duidelijk dat het verloop van de oorlog steeds minder gunstig voor Italië uitpakte. De familie Pasolini trok zich terug in Friuli, in het uiterste noordoosten van Italië.

In Casarsa werd de jonge Pier Paolo in februari 1943 voor de eerste maal betrapt op homoseksuele activiteiten. Hij kon niet meer onderdrukken wat hij al zo lang voelde:

“Een voortdurende beeld- en woordloze verstoring klopt in mijn hoofd en verduistert mij.”

Vanaf lente 1943 gaf hij structureel toe aan zijn verlangens en ontmoette hij ‘inheemse’ jongens die hij verleidde en meenam in de plaatselijke schoonheid van de natuur.

Pasolini’s leven werd ruw verstoord aan de vooravond van de Wapenstilstand van Cassibile (3 september 1943) wanneer hij werd opgeroepen voor dienstplicht. Op 1 september meldde hij zich in Pisa. Vijf dagen later wist hij uit het leger te ontsnappen. Hij vermomde zich als boer en vluchtte terug naar Casarsa.

Al eerder, begin 1943, startte Pasolini aan zijn proefschrift over de hedendaagse Italiaanse schilderkunst. Zijn aantekeningen gingen verloren tijdens de Wapenstilstand van Cassibile en hij startte een ander project, over de Italiaanse taalkundige, dichter en academicus Giovanni Pascoli (1855 – 1912). Net als Pier Paolo had Pascoli een uitgesproken voorkeur voor het bijzondere alledaagse. Daarnaast was hij een sociaal anarchist, een ideologie die Pasolini enorm aanspreekt.

In de jaren 1944-’45 werkte Pasolini aan Antologia della poesia Pascoliana en op 26 november 1945 studeerde hij cum laude af aan de universiteit van Bologna. Pas in 1993 gaf uitgeverij Giulio Einaudi zijn proefschrift uit.

School voor de poëzie en taal

Enkele maanden eerder, op 28 februari 1945, richtte Pasolini in Versuta (nabij Casarsa della Delizia) een school op voor de poëzie en taal die de principes volgt van de Italiaanse taalkundige Graziadio Isaia Ascoli (1829 – 1907), de grondlegger van de historische taalkunde. Hij startte zijn initiatief samen met poëzieliefhebbers Cesare Bortotto, Riccardo Castellani, Ovidio Colussi, docent Federico De Rocco en zijn neef en schrijver Domenico Naldini. Pasolini droeg de Academiuta di lenga furlana op aan zijn overleden broertje Guidalberto ‘Guido’ Pasolini.

Eind 1944 sloot broer Guido zich, na het behalen van zijn middelbare schooldiploma, aan als actieve partizaan bij de katholieke Brigate Osoppo. Tijdens het Porzûs bloedbad (Eccidio di Porzûs), op 7 februari 1945, werd hij gevangen genomen door de communistische partizanengroep Gruppi di Azione Patriottica (GAP), een onderdeel van de Garibaldi Brigades.

Guido ontsnapte op 12 februari, nota bene tijdens zijn executie. De GAP schoot hem in schouder en arm, maar Guido wist een dorpsapotheek te bereiken. Verzorgende dorpsbewoners droegen hem over aan twee partizanen die logen hem naar een ziekenhuis te zullen brengen. In plaats daarvan schoten ze Guido dood.

Het Porzûs bloedbad werd een gewelddadige confrontatie, waarbij 17 Osoppo partizanen omkwamen. Het had niets te maken met het beschermen van Italië en haar grenzen, het oorspronkelijke nationalistische doel van de Italiaanse partizanen, maar bleek een politieke vete tussen de twee genoemde brigades.

In 1961 schreef Pasolini over de situatie, die diepe indruk op hem maakt. Ik vertaal het begin:

“In de bergen, tussen Friuli en Joegoslavië, vocht Guido een paar maanden dapper: hij had zich aangemeld bij de Osoppo-divisie, die samen met de Garibaldi-divisie in het Venezia Giulia-gebied actief was. Het waren verschrikkelijke dagen: mijn moeder had het gevoel dat Guido nooit meer terug zou komen. Honderd keer had hij kunnen vechten tegen de fascisten en de Duitsers: omdat hij een vrijgevige jongen was die geen zwakheid toegaf, geen compromis. In plaats daarvan was hij voorbestemd om tragisch te sterven.

Venezia Giulia bevindt zich op de grens tussen Italië en Joegoslavië. In die periode neigde Joegoslavië er toe het hele grondgebied te annexeren en niet alleen waar het eigenlijk recht op had. Kortom, er is een strijd van nationalisme ontstaan. Mijn broer kon, hoewel hij socialistisch was (het is zeker dat hij vandaag aan mijn zijde zou zijn geweest), niet accepteren dat dit Italiaans grondgebied het doelwit van Joegoslavisch nationalisme zou kunnen zijn. Hij was ertegen en vocht.”

Periode 1945 – 1953: wortels

Terug naar de Academiuta di lenga furlana, zijn school voor poëzie en taal in Versuta, waar Pasolini verbleef omdat zijn ouderlijk huis tijdens de oorlog was verwoest. In augustus 1945 verscheen het eerste nummer van Stroligùt di cà da l’aga: Il Lunarietto (een kalender of almanak), het eerste officiële tijdschrift van de academie. In totaal verschenen vijf edities.

Op zondagmiddagen verzamelden lokale jonge dichters zich om poëzievoordrachten af te wisselen ​​met muziek van de Joegoslavische violiste Josipina (Pina) Kalz (1915-2003) die haar interpretatie van Bach gaf. Pasolini leerde Kalz (eigenlijk Kalc) in februari 1943 kennen. Hij werd getroffen door haar uitvoering van de zes vioolsonates van Bach.

Pina inspireerde hem voor het personage muzieklerares Dina in zijn werk Atti impuri (Onzuivere handelingen), dat net als zijn bekendere jeugdwerk Amado mio (Mijn geliefden) gaat over zijn homoseksualiteit. De violiste was heimelijk verliefd op Pasolini, die in die periode worstelde met zijn gevoelens. In de zomer van ’45 sloot ze zich aan bij een Triestijns symfonieorkest en in 1947 trouwde ze. Pasolini bleef op afstand een rol in haar leven spelen.

Stroom aan publicaties

Na de oorlog begon het oeuvre van Pasolini serieuze vormen aan te nemen. De titels Quaderni rossi (De rode notitieboekjes),Pagine involontarie (De onbedoelde pagina’s) enIl romanzo di Narciso (De roman van Narcissus) volgden elkaar in rap tempo op. Een stijlkenmerk is zijn normale, volkse taalgebruik. Pogingen om van uitgave Stroligùt een fatsoenlijk magazine te maken, stranden.

Opnieuw was het de academicus en filoloog Gianfranco Contini die Pasolini richting bekendheid duwde. Hij was jurylid van de literatuurprijs Libera Stampa (vrije pers) en stimuleerde de jonge schrijver om zijn manuscripten L’usignolo della Chiesa Cattolica (De nachtegaal van de Katholieke kerk) en Il pianto della rosa (De roep van de roos) in te dienen.

Verder dan een vermelding kwam het niet. Langzaam lokten zijn literaire activiteiten Pasolini uit zijn isolement in Versuta. Voor zijn gedichten in de Friulische taal won hij op 29 maart 1947 de Angeloprijs in Venetië en in oktober bezocht hij Rome om kennis te maken met de letterkundigen en schrijvers aldaar. Pasolini voltooide zijn toneelstuk Il Cappellano (De kapelaan) en publiceerde enkele dichtbundels, waaronder I pianti (De tranen).

Na de oorlog ontstaat er een nieuw Italië met als treurige valse start de op 23 september 1943 opgerichte fascistische marionettenstaat Republiek van Salò, met hoofdstad Salò aan het Gardameer. Benito Mussolini speelde tegen zijn zin voor staatshoofd. De echte macht lag toen bij Hitler. De politiestaat viel op 25 april 1945 en op 28 april 1945 werden Mussolini en zijn vriendin geëxecuteerd.

In de lente van 1946 maakte een referendum een einde aan het koninkrijk Italië, dat in 1861 zo mooi begon, en startte op 2 juni de republiek. Op 1 januari 1948 trad de democratische republikeinse grondwet in werking. Koninklijke titels vervielen, de koninklijke familie mocht Italië niet meer in en de fascistische partij (PNF) werd verboden.

Een vernieuwd Italië

Het Italiaanse communisme distantieerde zich na de oorlog van de misdaden van het stalinistische regime en zocht een ‘Italiaanse weg naar het socialisme’ richting progressieve democratie door de Italiaanse grondwet toe te passen. Dit sprak Pasolini zeer aan vanwege zijn passie om ‘cultuur te zaaien’. Hij volgde de ideeën van schrijver, politicus en politiek theoreticus Antonio Gramsci (22 januari 1891 – 27 april 1937), een van de oprichters van de Partito Comunista Italiano (PCI).

Zijn interesse voor politiek kreeg vorm door zich te verbinden aan deze organisatie, destijds de grootste communistische partij van Europa. In 1949 werd hij secretaris. Een logische stap, aangezien de PCI in feite voortkwam uit het Italiaanse verzet en zich fel kantte tegen het fascisme waar Pasolini zo van gruwt.

Met de hulp van Contini timmerde hij literair aan de weg met werken als La meglio gioventù (Het beste van de jeugd, publicatie in 1954) en Il sogno di una cosa (De droom van een ding, publicatie in 1962).

Tussen 1947 en ’49 doceerde hij literaire vakken aan de middelbare school van Valvasone, een van de mooiste dorpen van Italië. Pasolini masturbeerde met drie schooljongens, werd gesnapt, veroordeeld, uit de school en uit de PCI gezet en vluchtte met zijn moeder naar Rome.

Pasolini maakte kennis met de Abruzzese dialectdichter Vittorio Clemente. Clemente’s boek Sclocchitte (Klaprozen), Abruzzese sonnetten (1949) trok zijn aandacht. Via Clemente kreeg hij een baan als leraar in een privéschool in Ciampino, een deelgemeente van Rome. Daarnaast was hij corrector bij een krant, werkte af en toe voor de roemruchte Cinecittà-studio’s en verkocht zijn boeken via de bancarelle, de kleine boekenwinkeltjes in Rome. Zijn moeder was serveerster.

Tussen de bedrijven door schreef Pasolini Atti impuri (Onzuivere handelingen), Amado mio (Mijn liefde), La meglio gioventù (Het beste van de jeugd), Ragazzi di vita (Straatjongens), Squarci di notti romane (Een glimp van de Romeinse nachten, in feite de opmaat naar zijn debuutfilm Accatone) en Gas e Giubileo, een verhaal dat later als onderdeel van de publicatie Alì dagli occhi azzurri (Ali met de blauwe ogen) zou verschijnen. Zijn eigen ervaringen in de krochten van Rome vormden de inspiratie voor deze ruwe werken, die na publicatie behoorlijk wat opschudding veroorzaakten.

Begin jaren ’50 leerde Pasolini Rome beter kennen door de ontmoeting met de bohémien Sandro Penna (1906 – 1977), volgens hem een van de grootste Italiaanse dichters van zijn tijd. Samen struinden ze in de nachtelijke uren langs de boulevards aan de oevers van de Tiber, de Lungotevere, en maakten nieuwe vrienden. Vrienden zoals schilder, en later regisseur, Sergio Citti die hem de taal van de straat leerde. In deze periode schreef Pier Paolo zijn Romeinse dagboek Roma 1950 – Diario, pas uitgegeven in 1960.

Pasolini verhuisde in 1951 naar een appartement aan de Via del Tagliere 3, in het hart van de Romeinse achterstandswijk Rebibbia, waar hij tot in 1953 met zijn moeder bleef. In deze periode schreef hij het korte verhaal Il Ferrobedò (later onderdeel van het boek Ragazzi di vita) in het tijdschrift Paragone (vertaling: vergelijking, debat) en het gedicht L’Appennino (De Apennijnen, 1951) en de opening voor zijn uitgave Le ceneri di Gramsci (De as van Gramsci, 1957).

Pasolini speelde zich in de kijker en nam deel aan de Cattolica dialect poëzieprijs en won een tweede prijs met zijn Il testamento di Coran (Het testament van de Koran), dat in 1954 deel uitmaakte van de publicatie La meglio Gioventù (Het beste van de jeugd). Hij won prijzen zoals de Le Quattro arti di Napoli en Sinalunga di Sinalunga. Grappig detail: in het Toscaanse stadje Sinalunga is een straat vernoemd naar Pasolini.

Periode 1953 – 1956: groeispurt

Met de wind in de rug schreef Pasolini alsof zijn leven ervan afhing. Hij publiceerde poëzie voor uitgeverij Guanda en literatuur voor Sansoni. Degenen die bekend zijn met Pasolini kennen vanaf dit moment zijn levensloop. Ik zal er in dit artikel niet te uitgebreid over uitweiden. Aardig om te vermelden is dat zijn eerste vruchtbare samenwerking op filmgebied dateert van 1954, toen hij samen met zijn vriend en schrijver Giorgio Bassani (1916 – 2000) het scenario schreef voor La donna del fiume (De riviervrouw, met Sophia Loren) van regisseur Mario Soldati (1906 – 1999).

In 1954 had Pasolini voldoende inkomen om te verhuizen naar een veel betere buurt in Rome en koos een appartement aan de Via Fonteiana 77.

Via Fonteiana 77, Roma

Pasolini was betrokken bij het literair tijdschrift Officina met publicaties tussen 1955 en 1959. In feite was Eredi van 15 jaar eerder een prelude. Er ontstond een literaire groep met leden die samen een eclectisch geheel vormden. Gezamenlijk gingen zij op zoek naar een nieuwe definitie van poëzie. Ze hadden een sterk geloof in het idee dat cultuur een drijvende kracht was in de vernieuwing van de samenleving. En zo zie ik het ook. Tenminste, als cultuur een kans krijgt.

Door zijn activiteiten kreeg Pasolini in de tweede helft van de jaren ’50 een centrale rol in de Italiaanse cultuur, ondanks zijn, zeker voor die tijd, heftige thema’s zoals homoseksuele prostitutie en openlijke politieke voorkeur die afweek van de geldende norm. Vanaf het moment dat zijn populariteit steeg, kreeg hij kritiek te voorduren.

Op zijn Ragazzi di vita bijvoorbeeld, waarover in 1955 een rechtszaak liep. Met name de dialogen gaven aanstoot in het conventionele katholieke Italië. Pier Paolo redde zich uit deze benarde situatie met de hulp van zijn vrienden. Zij hadden een andere kijk op zijn werk en prezen hem de hemel in.

Daarnaast hielp zijn overtuigend atheïsme en antiklerikalisme, ideologie of houding die zich verzette tegen de politieke of sociale invloed van religieuze instellingen, met name de katholieke kerk. Juist Pasolini erkende de invloed van tweeduizend jaar christendom op zijn omgeving en dus ook in zijn leven.

Er is natuurlijk veel meer dan religie. Je bent er zelf ook nog! En wat te denken van de kunsten, de literatuur, de mensen om je heen, de politiek? Eind jaren 70 kon ook mijn kerk niets met een dergelijke stelling en ik werd op mijn 12e a-religieus.

Periode 1956 – 1969: vogelvlucht

De jaren ’50 van de vorige eeuw waren een voor Europa ongekend roerige periode. Samenlevingen en alle tot dan toe geldende opvattingen, gingen na de oorlog de confrontatie met elkaar aan en werden door elkaar gehusseld.

Wat in 1956 bij communist Pier Paolo insloeg als een bom is het 20e congres van de Russische Congrespartij. Partijleider Nikita Khrushchev (1894 – 1971) nam tussen 14 en 25 februari openlijk afstand van de daden van kameraad Josef Stalin, tot woede van de conservatieve stromingen binnen het Russische communisme.

Khrushchev sloeg vervolgens met harde hand de Hongaarse Opstand (23 oktober – 10 november 1956) neer en hield zich daarna met moeite politiek staande. De basis die Vladimir Iljitsj Lenin (1870 – 1924) vanaf 1917 had gelegd, werd min of meer zijn politieke uitgangspunt. Het rol van het Russische volk kreeg daarbij een plek op de voorgrond en de staat deed een stapje terug. Dit sprak Pasolini ongelofelijk aan. Wat hij nog niet wist, en hij was niet de enige, was dat deze farce eerder een politieke truc was dan een wezenlijk teken van humaniteit.

Voordat ik eindelijk aan De Laatste Rede van Pasolini toekom, vlieg ik door een handvol belangrijke gebeurtenissen in deze periode van zijn leven en behandel kort zijn films. Een hoogtepunt was de Viareggio-prijs voor zijn Le Ceneri di Gramsci, in 1957. Een jaar later stierf zijn vader, stopte tijdschrift Officina en verlegde Pasolini het zwaartepunt van literatuur naar films. Zo werd zijn Una Vita Violenta in 1961 verfilmd door regisseurs Paolo Heusch en Brunello Rondi. In 1959 werd Pasolini door katholieke instanties aangeklaagd vanwege het obscene karakter van dit boek.

Pasolini voelde zich thuis in Rome en trok van de buitenwijken richting betere buurten. In juni 1959 verhuisde hij van de Via Fonteiana naar de Via Giacinto Carini 45, waar ook regisseur Bernardo Bertolucci woonde. Een jaar later droeg hij bij aan diens La Dolce Vita, hoewel ongecrediteerd. 

Films, India en de bijbel

In 1961 kwam Accattone uit, zijn eerste volledige film en de eerste Italiaanse bioscoopfilm die een verbod op minderjarigen onder de 18 jaar kreeg. De kop is eraf! Met de toename van publicaties en films nam de weerstand tegen Pasolini toe. Vanaf 1960 kwam hij regelmatig in opspraak en volgden er tientallen rechtszaken.

In mei 1961 kwam eindelijk Il sogno di una cosa uit, zijn Friulische roman uit 1949-50, en op 31 augustus 1962 werd op het filmfestival van Venetië het overduidelijk autobiografische Mamma Roma gepresenteerd.

In 1961 reisde hij samen met schrijvers Alberto Moravia en Elsa Morante door India. Voor beiden was het een welkome ontsnapping aan het naoorlogse Italië. Ze ontmoetten er Nehru, Moeder Teresa en collega-schrijver Chaudhuri. Wat het meest indruk maakte, waren de talloze bedelaars op straat, de kleurrijke cultuur en de overweldigende godsdienst. Pasolini verwerkte zijn ervaringen in de uitgave L’odore dell’India (De geur van India) en Moravia schreef Un’idea dell’India (Een idee over India).

In september las Pasolini tijdens een conferentie in de Citadel van Assisi Het evangelie van Mattheüs voor. Het idee voor een film over dit bijbeldeel werkte hij uit naar Il vangelo secondo Matteo (debuut 4 september 1964). In de hoofdrol speelt de Spaanse student Enrique Irazoqui die sprekend leek op de Christus zoals geschilderd door Goya. De film werd opgenomen in de zuidelijke steden Matera en Massafra. Een jaar eerder zat Pasolini vier maanden in de gevangenis wegens minachting voor de staatsgodsdienst.

Zijn versie van Matteo werd goed ontvangen, hij ontmoette filosoof en schrijver Jean-Paul Sartre (1905 – 1980) en maakte in 1965 een uitgebreide reis door Noord-Afrika. Getroffen door een maagzweer en -bloeding deed hij het dat jaar rustig aan. Hij concentreerde zich op stukken voor toneel en twee nieuwe films: Theorema en Oedipus re. In de zomer maakte hij met zijn moeder een reis naar de streek van zijn jeugd. Hij kocht een gebruikte Maserati 3500 GT en ze reden samen naar Carnia, de streek waar de taalminderheid Carni is gevestigd. In de herfst van 1966 bezocht hij New York en ontmoet dichter en schrijver Allen Ginsberg en Oriana Fallaci, met wie hij een haat-liefde verhouding had. Zie mijn deel 3.

Griekse mythologie, Maria Callas

In 1967 verfilmde hij Oedipus re in Marokko, Lodi (Lombardije) en Bologna (Emilia-Romagna). In tegenstelling tot het buitenland werd de film in Italië geen succes. In 1968 volgde Teorama. Dit werk werd door de Office Catholique International du Cinèma beloond met een prijs die later zal worden ingetrokken op last van de Paus. 

Voor mij is Medea (1969) de meest aansprekende film van Pasolini. Niet in de laatste plaats vanwege het indrukwekkende optreden van operazangeres en fenomeen Maria Callas (1923 – 1977), die op dat moment al vier jaar geen optredens meer geeft en toch op het hoogtepunt van haar roem is. De opnamen van dit stuk van Euripides (431 VC) vonden plaats in Cappadocië (Turkije), in Grado (Gorizia) en Pisa.

De bijzondere (zuiver platonische) vriendschap tussen Callas en Pasolini viel vriend en vijand op. Op zijn moeder na had geen andere vrouw zo’n hechte en liefdevolle relatie met hem. Best bijzonder, want Callas moest weinig hebben van marxisten en homo’s, en Pier Paolo had op zijn beurt niet veel op met opera. Vanaf hun eerste kennismaking vonkte het. “Ik vind Callas een ongelofelijk moderne vrouw. In haar woont een eeuwenoude ziel: wild, magisch, mysterieus en vol innerlijke conflicten”, aldus de filmer.

Hij koos Callas voor Medea, haar enige rol waarin ze niet zingt, en schetste 14 portretten vormgegeven met natuurlijke materialen zoals zand en bloemen.

Periode 1970 – 1975: neergestreken

Zomer 1970 schreef Pasolini een reeks korte verhalen die uiteindelijk de ‘Trilogie van het Leven’ vormen: Il Decameron (1971), I racconti di Canterbury (1972) en Il fiore delle Mille e una notte (1974). Dit werden zijn meest succesvolle films: op 28 juni 1971 ontving hij op het filmfestival van Berlijn de Zilveren Beer (en in heel Italië meer dan 30 klachten) voor Il Decameron en in 1974 prees het filmfestival van Cannes zijn Il fiore delle Mille e una notte met de Grand Prix Spécial du Jury.

In de herfst van 1970 kocht Pasolini de Torre di Chia, een soort middeleeuws kasteel bij het dorpje Chia, in de gemeente Soriano nel Cimino, provincie Viterbo. Hij ontdekte in het voorjaar van 1964 de bouwval tijdens zijn zoektocht voor de scene voor de doop van Jezus in de Jordaan in zijn meesterwerk Il vangelo secondo Matteo.

Art-director Dante Ferretti restaureerde de toren en ontwierp op de begane grond een glazen huisje met een keuken en studio. Tot aan zijn dood woonde Pasolini op naar zijn zeggen de mooiste plek ter wereld. De Chia Toren, in Ghibelline-stijl, heeft een vijfhoekige vorm en is 42 meter hoog. Bij het kasteel en een reeks gekantelde muren tussen de bossen, stromen en watervallen, zijn overblijfselen van molens en huizen zichtbaar.

Begin 1971 maakte Pasolini de documentaire 12 dicembre (12 december), over het bloedbad op het Piazza Fontana in de Banca dell’Agricoltura in Milaan. Op Netflix is een interessante real-life documentaire over deze schokkende gebeurtenis te zien. Op die datum verloren in 1969 16 mensen hun leven tijdens een bomontploffing die ook nog eens 84 ongelukkigen verwondde. Anarchist en verdachte Giuseppe Pinelli werd drie dagen lang verhoord en ‘sprong’ uiteindelijk uit het raam van de vierde verdieping van het politiebureau. Hij overleefde zijn val niet.

De serie van vijf aanslagen op dezelfde dag wordt gezien als ‘de moeder aller bloedbaden’ en de eerste terroristische daad in het naoorlogse Italië. Pas in 2005 werden de daders bekend maar niet veroordeeld: zij waren in 1987 reeds vrijgesproken…

Pasolini schrijft door

In 1972 aan Empirismo eretico (Garzanti, 1972) en aan het onvoltooide en volumineuze Petrolio, dat pas in 1992 postuum werd uitgegeven. In 1973 verbrak hij zijn verbintenis met uitgeverij Garzanti en accepteerde het aanbod van Giulio Einaudi, op dat moment ‘the most prestigious publishing house in Italy’. Met een enorme werkdrift leverde hij naast concepten die nooit afkomen een duizelingwekkende stroom aan artikelen, theaterstukken en ideeën voor boeken en scripts af.

Ondertussen spuugt hij op zijn vaderland:

“Italië is een land dat steeds dommer en onwetend wordt en waar ondraaglijke retoriek wordt gecultiveerd. Bovendien is er geen slechter conformisme dan dat van links. Vooral natuurlijk als het ook door rechts wordt uitgedragen.”

Aan zijn uitspraken van toen is de behoorlijke verwantschap met het Europa van nu te zien. Was het een kantelpunt in de geschiedenis?

1975

Pasolini’s ‘Trilogie van de Dood’ kwam niet verder dan zijn laatste film. Het controversiële Salò, werd op 22 november 1975, dus na zijn dood, gepubliceerd op het filmfestival van Parijs. In oktober leverde hij bij leven zijn laatste boek La Divina Mimesis aan Einaudi.

Een maand eerder, op 21 oktober, was Pasolini in Lecce voor zijn beroemd geworden gespreksles Volgar’eloquio. Daarna reisde hij af naar Zweden en besprak in Parijs de Franse editie van Salò. Op 31 oktober was hij terug in Rome en schreef zijn laatste openbare document: een toespraak voor op het 15e congres van Il Partito Radicale (PR). Zijn afspraak op de 4e november zou hij niet halen…

“De meest aanbiddelijke mensen zijn degenen die niet weten dat ze rechten hebben.”

“Er zijn in onze samenleving de uitgebuitenen en de uitbuiters.”

“Er zijn toegewijde intellectuelen, die het als hun plicht en de plicht van anderen beschouwen om de aanbiddelijke mensen, die het niet weten, te informeren dat ze bepaalde rechten hebben.”

“Iedereen weet dat wanneer de uitbuiters goederen produceren, ze in feite sociale patronen produceren. De uitbuiters van de tweede industriële revolutie (consumptiemaatschappij gekenmerkt door kwantiteit, overtollige goederen en hedonisme) produceren niet alleen nieuwe goederen: ze produceren ook een nieuwe mensheid.”

“Consumptisme kan de nieuwe sociale patronen die de uitdrukking zijn van nieuwe productiemethoden onveranderlijk maken door via hedonistische ideologie een context van valse tolerantie en valse lekenwaarden te creëren. Die laatste hebben zich al onzichtbaar aangesloten bij de onzichtbare machtsstructuur door een onzichtbare partijkaart te accepteren.

Alles wat je tegen deze trend moet doen, is volgens mij gewoon jezelf blijven: wat betekent dat je onherkenbaar blijft.

Vergeet onmiddellijk je successen en blijf onverstoorbaar, koppig en eeuwig tegenstrijdig doorgaan. Blijf veeleisend en probeer anders dan anderen gezien te worden, door aanstoot te nemen en te ontheiligen.”

Zijn allerlaatste publicatie bij leven kwam in tijdschrift LIFE op 30 oktober. Het werd een artikel met een toon die aansloot bij Scritti corsari, een verzameling artikelen die Pasolini tussen 1973 en 1975 publiceerde in Corriere della Sera, Tempo Illustrated, Il Mondo, Nuova Generation en Paese Sera. Medio november 1975 gaf uitgeverij Aldo Garzanti postuum de door Pasolini herziene drukproeven uit.

Dood

In de nacht van 1 op 2 november 1975, op het strand vanIdroscalo di Ostia, 10 km ten westen van Rome, werd de tengere Pasolini (1,67 m, 59 kg) in elkaar geslagen en overreden door zijn eigen Alfa Romeo GT Veloce 2000. Op 2 november om ongeveer half zeven ’s ochtends vond Maria Teresa Lollobrigida zijn afgeslachte lichaam.

Al snel werd de zeventienjarige Pino Pelosi door de politie opgepakt. Pelosi beweerde door Pasolini te zijn uitgenodigd om in zijn Alfa te rijden, met hem te dineren en daarna naar het strand te rijden. Een uit de hand gelopen ruzie zou de dood van Pasolini tot gevolg hebben gehad, aldus de bekentenis van Pino. Op 26 april 1979 veroordeelde de hoogste instantie hem tot 9½ jaar gevangenisstraf.

Omstanders gaven aan de beroemde Italiaan in hun buurt te hebben gezien. Ze herkenden hem omdat hij de illegale woningen in hun wijk regelmatig als schuilplaats gebruikte voor zijn homoseksuele contacten. Tijdens de bewuste nacht hoorde ze geschreeuw uit meerdere kelen, wat deed vermoeden dat er meerdere daders, of in ieder geval getuigen, waren.

Drie decennia na de moord op Pasolini ontkende Pino zijn daad en zei destijds onder druk van de (drie) echte moordenaars te hebben bekend. In 2011 legde hij in zijn boekje ‘Ik weet… hoe ze Pasolini hebben vermoord’ de ware toedracht uit. De killers reden in een Fiat 1300 met een Siciliaanse (Catania) kentekenplaat en schreeuwden ‘jarrusu’, een Calabrisch of Siciliaans homo-scheldwoord.

Diverse getuigenissen van enkele uren na de moord beschreven een jongeman in het gezelschap van Pasolini, maar niet met een gelijkenis die naar Pino verwees. De gruweldaad blijft in nevelen gehuld.

De Italiaanse schrijver, journalist en activist Oriana Fallaci (onder meer bekend van haar interview met ayatollah Khomeini) was de eerste die het vermeende politieke motief voor de moord op de dichter publiekelijk aan de kaak stelt. Instinctief onderzocht ze direct op 2 november de locatie en publiceerde haar onderzoek op 21 november in ‘haar’ weekblad L’Europeo (1945 – 1995). Volgens Oriana liep er een groep jongeren rond met het idee om Pasolini om te brengen. Onder het mom van een roofaanval pleegde zij op 2 november 1975 hun moord. Een vergelijkbaar scenario is in 2016 verfilmd en op Netflix onder de titel La Macchinazione te zien. Fallaci weigerde voor de rechter haar bronnen prijs te geven en kreeg vier maanden voorwaardelijk.

Een veel verontrustendere mogelijkheid kwam decennia later naar boven. Zijn onvoltooide en ruim 500 pagina’s tellende roman Petrolio gaf duidelijke verwijzingen naar de industriële giganten Eni en Montedison. In 2010 ontdekte politicus Marcello Dell’Utri (in 2014 veroordeeld voor banden met de maffia) dat de roman ontbrekende pagina’s bevat waar in de tekst wel naar wordt verwezen. Hoofdstuk Lampi sull’Eni (de bliksem op Eni) is alleen als titel aangegeven en ligt waarschijnlijk veilig in de kluis van een onbekende eigenaar.

Zo blijft de moord op Pasolini omgeven met mysterie en is waarschijnlijk geen roof- of homo-moord, maar een misdaad met een politiek-maatschappelijk karakter. Dat de moord in Italië een afschrikwekkend karakter krijgt, blijkt uit de kreet ‘Ti faccio fare la fine di Pasolini’ (Ik laat je eindigen als Pasolini) die nog jaren na 2 november 1975 rondzingt.

Het laatste woord

Het laatste woord over Pasolini’s dood is nog niet gezegd. Vrienden en bekenden uit zijn kring beschreven zijn beestachtige en gewelddadige manier van leven. Na zeven uur ’s avonds veranderde zijn persoon. Na zijn nachtelijke avonturen op onbestemde plekken kwam hij doorgaans terug vol schrammen en blauwe plekken…

Miste hij de prikkel, de angst om te sterven? Bedacht Pasolini zijn dood, gescript en geregisseerd tot de laatste minuten? Als aanhanger van de geschriften van Carlo Michelstaedter (1887 – 1910) zou je zeker aan deze optie kunnen denken. Zelfmoord was in de visie van deze radicale Italiaanse schrijver, dichter, kunstschilder, tekenaar en filosoof een zuiver rationalistische daad van wilskracht. En die bezat Pasolini zondermeer.

Ik geef journalist en ‘vriendin’ Oriana Fallaci het laatste woord, geschreven in een publiek gepubliceerde brief uit 16 november 1975.

“We werden onmiddellijk vrienden, onmogelijke vrienden.
Dat wil zeggen: ik ben een normale vrouw en jij een abnormale man.
Althans volgens de hypocriete canons van de zogenaamde beschaving.
Ik ben verliefd op het leven en jij op de dood.
Ik ben zo hard en jij zo lief.”

De complete publicatie staat op deze Italiaanstalige webpagina. Gebruik de vertaalknop.

Beeld: Bing CoPilot en Google Maps

Dit blog is het eerste deel uit mijn trilogie over Pasolini

La religione del mio tempo

Uit het afval van deze wereld
komt een andere wereld voort.

Daar ontstaan wetten
waar wetten stoppen.

Daar ontstaat een nieuwe vorm van eer
waar eer tot schande is geworden.

Daar groeien macht en adel,
meedogenloos, tussen stapels krotten,

op die eindeloze plekken waar je denkt
dat de stad ophoudt,
maar waar zij juist opnieuw begint:
vijandig, telkens weer opnieuw,
in herhaling, met bruggen
en doolhoven, werven en opengewoelde aarde.

achter brandingen van wolkenkrabbers
die de horizon uitwissen.