Pier Paolo Pasolini: zijn laatste rede

April 2020 – In april 2019 bezoeken Lilian en ik voor de tweede maal de heerlijke stad Lecce, op het schiereiland Salento in de Italiaanse regio Puglia. Mijn oog valt bij een vorig bezoek al op een markant gebouwtje naast het verkeersplein met de Obelisco, aan de entree van de sfeervolle Via Taranto.

Op een van de muren lees ik een gedicht van mijn held Pier Paolo Pasolini (Bologna, 5 maart 1922 – Lido di Ostia, Roma, 2 november 1975). Ik vraag me af of de tekst een bijzondere betekenis voor deze plek heeft en stuit op de fascinerende geschiedenis van zijn laatste publieke rede, blijkbaar in de stad Lecce.

Het gezelschap gastheren en -vrouwen en genodigden rondom ‘Volgar’eloquio’, het laatste publieke optreden van Pier Paolo Pasolini. Van links naar rechts: onbekend, Gustavo Buratti, Don Guiseppe Faraco, Marisa Rinaldi, Pier Paolo Pasolini, Clara Russo, Antonio Piromalli en onbekend. Calimera (Lecce), 21 oktober 1975.

Ik duik in het verleden: zijn optreden start in de Palmieri middelbare school en wordt ’s avonds voortgezet in een club in het nabijgelegen stadje Calimera.

Verkeersplein kruising Viale dell’Università met links het begin van de Via Taranto – © Google Maps

Wat vooraf ging…

Gustavo Buratti Zanchi (1932 – 2009), ook wel Tavo Burat, is een schrijver, dichter, journalist (oprichter van La Slòira, een magazine opgesteld in de Romaanse minderheidstaal Piëmontees), docent, Waldens (actief lid van de Chiesa Evangelica Valdese), neo-Dolciniaan en een politiek actieve (socialist, milieu-activist), historische en Italiaanse geleerde. Hij is tevens een verdediger van de taalkundige minderheden en voor lokale autonomie. In die laatste hoedanigheid nodigt Tavo Burat in de herfst van 1975 zijn vriend Pasolini uit voor een optreden in Lecce.

De bijeenkomst in Lecce met uiterst rechts Tavo Burat, 1975

Pasolini houdt op 21 oktober, in de Palmieri middelbare school in de wijk ten oosten van de imposante Porta Napoli, zijn beroemd geworden gespreksles Volgar’eloquio in de vorm van een debat. ’s Avonds gaat een bont gezelschap verder in het nabijgelegen stadje Calimera. In de Griekse cultuurclub ‘Circolo di cultura grecanica di Calimera’*, gevestigd in de het Palazzo Mayro-Murrone aan de Via Mayro, draagt Pasolini gedichten voor en wordt het programma voortgezet met zang en dans.

Zijn laatste openbare interventie krijgt extra betekenis omdat hij enkele dagen later wordt vermoord. In de nacht van 1 op 2 november 1975, op het strand van Idroscalo di Ostia, 10 km ten westen van Rome, wordt Pasolini in elkaar geslagen en overreden door zijn eigen Alfa Romeo GT Veloce.

* Het dorpje Calimera ligt 10 km ten zuiden van Lecce, in Grecìa Salentina, een linguïstisch gebied van negen gemeenten waar Grecanico (Grico), een oude Griekse taal, wordt gesproken. Deze historische regio vormt het hart van het schiereiland Salento.

Via Mayro, Calimera – © Google Maps 2020

Het gedicht in Lecce

De Via Taranto in Lecce is voor mij en Lilian een speciale plek. Misschien zijn het de buurtwinkeltjes, de gammele barretjes, de opticien waar ik mijn bril kocht, het eenvoudige eettentje waar we tijdens een stortbui van een onwaarschijnlijk heerlijke lunch genoten, de verkoeling en het gefilterde licht tussen de bomen, de wandeling naar de supermarkt aan het eind links, de overgang van de oude stad naar de naoorlogse nieuwbouw…

In april 2019 bezoeken we Lecce opnieuw voor een tweewekelijkse cursus Italiaans. ’s Ochtends les, ’s middags na de lunch de stad in en ’s avonds op culinair avontuur. We lopen regelmatig door de Via Taranto, van ons appartement naar de stad. Op een dag staat het licht goed op de woorden van Pasolini en maak ik een foto:

La religione del mio tempo / Viale dell’Università

Het vreemde ronde gebouwtje lijkt op een lang geleden gesloten krantenkiosk. Richting stad kijk je naar de massieve Porta Napoli en de scharrige universiteitsgebouwen die parallel lopen aan de drukke Viale dell’Università. Tot ik dit stuk schrijf, heb ik geen idee van de woorden van Pasolini. Ik zoek het gedicht op en duik in de geschiedenis.

La religione del mio tempo

(Milano, uitgeverij Garzanti, 1961)

– Nei rifiuti del mondo,
Nasce un nuovo mondo:

nascono leggi nuove
dove non c’è più legge;

nasce un nuovo onore
dove onore è il disonore…

– Nascono potenze e nobiltà,
feroci, nei mucchi di tuguri,

nei luoghi sconfinati dove credi
che la città finisca, e dove invece
ricomincia, nemica, ricomincia
per migliaia di volte, con ponti
e labirinti, cantieri e sterri,

dietro mareggiate di grattacieli,
he coprono interi orizzonti.

Mijn grove vertaling is als volgt:

De religie van mijn tijd

(Milaan, uitgeverij Garzanti, 1961)

– In het afval van de wereld
wordt een nieuwe wereld geboren:

Nieuwe wetten worden geboren
waar geen wet meer is;

een nieuwe eer wordt geboren
waar eer oneer is…

– Zij met bevoegdheden en van adel worden geboren,
woest, in de stapels krotten,
op grenzeloze plaatsen
waar je denkt dat de stad eindigt,

en waar de stad in plaats daarvan
opnieuw begint, als een vijand, begint
duizenden keren opnieuw,
met bruggen en labyrinten,
bouwplaatsen en grondwerken,
achter een branding van wolkenkrabbers,
bestrijken ze hele horizonten.

Wat Pasolini voor mij betekent

Ik ben 18 en maak kennis met het fenomeen Pasolini. Hij maakt op mij een onuitwisbare indruk. Pier Paolo snijdt kwesties aan die me decennialang achtervolgen. Zijn verschijning spreekt mij ook aan: hij is een krachtige figuur om te zien, met een ruwe kop en typisch Italiaans haar. Zijn felle ogen verhuld hij vaak door een geweldige zonnebril. Tussen typische tienerhelden als Bono, Malcolm X en Jan Wolkers slaat hij geen gek figuur.

Homo of niet, ik kan me moeiteloos verplaatsen in zijn eclectische multi-issues en intense aanpak der dingen. Hij is een dissident, een katholieke marxist, een dwarse criticus die onomwonden zijn meningen vorm geeft in schrift, beeld en geluid. Hij staat voor wie en wat hij is en is noch links en noch rechts. Hoe kan iemand zo duidelijk zijn en tegelijkertijd zo divers en uitgesproken?

De combinatie van factoren, de mix van kunst, kritische statements en zijn uitingen zoals waanzinnig vormgegeven films met spectaculaire onderwerpen gesitueerd in brute omgevingen, boeien mij mateloos en zuigen mij zijn universum in. Stapje voor stapje diep ik de onderwerpen uit die Pasolini mij toen, en nog steeds, bezighouden.

Maria Callas en Pier Paolo Pasolini in 1969, de periode van zijn meesterwerk ‘Medea’.

Hij is een van de weinige figuren – influencers – uit mijn jeugdjaren die me trouw blijven. Niet alleen vanwege zijn kunstuitingen maar meer nog door mijn uitdieping van zijn gedachtengoed. Zo maakt hij zich sterk voor behoud van lokale Italiaanse dialecten en de cultuur die erbij hoort. Daar gaat ook zijn Volgar’eloquio over.

Voor een Rotterdams knulletje in een gezin met een voorliefde voor de lappendeken van Nederlandse microculturen, opgroeiend in de uitbreidingswijken van Delft, zomervakantie vierend in Twente en Vlaanderen en met een onstilbare honger naar antropologische kennis, kwam de grote wereld samen in een persoon die mij duidelijke aangaf dat binnen een cultuur het gedrag van het individu bepalend is om die cultuur vorm en betekenis te geven. De Renaissance (officieel 14e t/m 16e eeuw) loopt door tot in onze tijd.

Maar het gaat verder. Tijdens zijn te korte leven (hij werd 53, ik ben van 25 juli 1967) plaatste hij kritische noten bij de naoorlogse ontwikkeling van de (Italiaanse) maatschappij. Hij legt accenten op thema’s als (over)consumptie, effect van economische groei op milieu, fascisme en de laksheid (of het gemak) waarmee de burger ‘alles’ over zich heen laat komen. Deze thema’s spreken mij ongelofelijk aan.

Pasolini redigeert typewerk uit zijn Olivetti Lettera, 1975 – © Dino Pedriali

Daarnaast is hij net als ik een veelvraat en een mateloos persoon. Iemand die zich recht voor zijn raap uitlaat en constant onderzoekt wat hem bezighoudt, niet geremd door conventies, aangegeven grenzen of spelregels, heersende ethiek of verhoudingen. In elke vorm die hij oplevert, maakt hij een statement met een krachtig verhaal. Elk gebaar is wezenlijk en verre van argeloos. Terloops bestaat niet voor hem.

Dat Pasolini zich juist niet bezighield met de opbouw van een oeuvre of zich beperkte tot een eigen territorium, trekt mij des te meer aan. Hij gooit zijn lichaam in de strijd en trekt zich van angst niet veel aan. Dit is voor mij een herkenbaar gevaar. Zonder partner die mij bewaakt, loop ik met versnelde pas af op zaken die niet goed voor mij zijn. Zover als Pasolini ging, ga ik niet. Durf ik niet.

Tijdloze issues

In Pasolini vind ik eindelijk een soortgenoot die zich constant verdiept in andere culturen en volkeren, met alle gewoonten en gebruiken die daarbij horen. Eindelijk iemand die de parallel naar de moderne tijd legt en de geschiedenis kent, begrijpt en uitlegt cq projecteert op de moderne tijd. Zijn films blijven om die reden voor mij tijdloze documenten. Gemaakt in een bepaalde periode en (voor wie het herkent) reflecterend op de tijd waarin ze zijn gemaakt.

De komende generaties kunnen via zijn films leren van geschiedenis, heden en toekomst. Voor mij ondersteunen ze mijn levensbeschouwing en geven richting en houvast bij iedere stap die maak. Pasolini snijdt in zijn werk en optredens onderwerpen aan die ook nu nog ongekend actueel zijn. Wat is er in de tussentijd gebeurd? Wat is de invloed van zijn woorden, zijn visie en zijn voorspellingen?

Pasolini met Alberto Moravia uiterst links, 1961 – © Licio D’Aloisio

Als frequent bezoeker van bibliotheek en boekenwinkel speur ik naar boeken van Pasolini, maar meer dan enkele vertaalde essays van zijn hand tref ik niet aan. Wel vind ik verslagen, beschrijvingen en beschouwingen van zijn werk en leven, kritiek van tegenstanders en veel onbegrip over de rol die Pasolini speelde in de jaren ’50, ’60 en ’70. Begrijpelijk als je in die tijd openlijk homoseksueel, communist en criticaster van ‘het systeem’ bent.

Pasolini is bij het grote publiek bekend van zijn controversiële films. Aangezien ik het Italiaans niet machtig ben, beperk ik me tot zijn ondertitelde werk. In het Haagsche Filmhuis verslind ik zijn epische Medea (1969, met Maria Callas), geniet van de rauwe Accattone (1961) en kijk vol verbijstering naar de bijbelverfilming Il vangelo secondo Matteo (1964). Op de VPRO en de Belgische TV zie ik de Griekse tragedie Edipo Re (1967) en het Middeleeuwse Il Decameron (1971). Pas bij Salò o le 120 giornate di Sodoma (1975) haak ik af. Ik begrijp welke statements Pasolini wil maken en ben als frisse nieuwsgierige twintiger nog niet klaar voor zijn versie van decadentie, overdadigheid, misbruik van macht en de beelden die dit oplevert. Ook nu voel ik geen prikkel voor een re-view.

De opnamen van ‘Il vangelo secondo Matteo’ vinden deels plaats in Matera, 1964 – © Domenico Notarangelo

Eenzame fan

Tot nu vond ik geen gelijkgestemden om mijn interesse met Pasolini mee te delen. Medea zag ik tweemaal met een Callas-fan, en dat was het. De met veel pathos aangezette filmbeelden boeien vrijwel iedereen maar de intensiteit, de dynamiek, het drama, de datering en daarmee traagheid van de films zijn voor menigeen niet te verteren. Ik besef dat de inhoud en de wijze van vertellen nogal wat van de lezer en kijker vergen en moet eenzaam berusten in mijn belangstelling voor het fenomeen Pasolini.

Pasolini benoemd gedurende zijn leven onverbloemd en ongeremd zaken die hem bezighouden. Alleen al vanwege zijn vitaliteit en nieuwsgierigheid blijft hij voor mij een toetssteen voor mijn kijk en aanpak op het leven om mij heen. Hij blijkt telkens een gids op een pad dat mij toevallig overkomt maar wat hij veel eerder bewandelde en dus beter kent. De rol van zijn verbondenheid met Salento was voor mij nieuw. En ik werk dan ook met plezier de omstandigheden van zijn laatste rede uit.

Maar eerst iets over de man zelf. Ten eerste om zijn achtergrond duidelijk te maken en ten tweede om uit te leggen waarom hij voor mij zo’n ongelofelijk belangrijke en inspirerende figuur is.

Schrijver Alberto Moravia, Pier Paolo Pasolini en actrice Laura Betti dineren in restaurant Fiaschetteria Beltramme, Rome 1961 – © Mario Dondero, Elisa Dondero

Wie is Pasolini?

Globaal bekeken is Pasolini een mega-interessante figuur uit het na-oorlogse Italië. Hij wordt beschouwd als een van de grootste kunstenaars en intellectuelen van de twintigste eeuw. Pasolini is met name bekend als cineast en schrijver maar hij is ook schilder, filosoof, journalist, linguïst, vertaler en essayist.

Hij schrijft niet alleen in het Italiaans, maar ook in het Friulisch, een Reto-Romaanse (Alpenromaanse) taal die wordt gesproken (en niet geschreven) in het uiterste noordoosten van Italië. Dit is de autonome regio waar zijn moeder vandaan komt. Lerares Susanna Colussi (10 maart 1891 – 1 februari 1981) werd geboren in het stadje Casarsa della Delizia in de regio Friuli-Venezia Giulia.

Pasolini met zijn moeder, Susanna Colussi, Rome 1961 – © Mario Dondero

Het gezin Pasolini woont vanaf 1921 in Bologna. Een jaar na het huwelijk wordt Pier Paolo op 5 maart 1922 geboren uit Susanna en Carlo Alberto Pasolini (26 juni 1892 – 19 december 1958), een Bolognese infanterieofficier en lid van Pasolini dall’Onda, een oude adellijke familie uit Ravenna. Vanwege het beroep van Carlo Alberto verhuist het gezin bijna jaarlijks en woont in Belluno (40 km boven Venetië) als zijn broertje Guidalberto ‘Guido’ Pasolini wordt geboren op 4 oktober 1925.

Een jaar later, op 31 oktober 1926, verijdeld vader Pasolini de aanslag op zijn werkgever Benito Mussolini. Hij herkent een 15-jarige jongen als anarchistische bommengooier. Fascisten schoppen de onfortuinlijke Anteo Zamboni net zo lang tot de dood er op volgt.

In 1928 verhuist het gezin naar de stad Casarsa della Delizia in Friuli, en trekt in het ouderlijk huis van moeder Susanna. Zij gaat weer aan de slag als lerares omdat vader Carlo Alberto vanwege schulden is gearresteerd en vastzit. De verstilde landelijke omgeving van de provincie Pordenone staat in schril contrast met de dynamische Italiaanse steden die zich na de Eerste Wereldoorlog ontwikkelen tot moderne leefomgevingen vol techniek, politiek en fascisme. De natuur is een onuitputtelijke bron van inspiratie voor de jonge Pier Paolo.

Schoolfoto uit zijn tijd in Casarsa

Tienerjaren

Een jaar later werkt papa Carlo Alberto in het dorpje Sacile, in dezelfde regio, en start zijn oudste zoon met tekenen en schrijven. Hij slaagt voor zijn toelatingsexamen tot het gymnasium van Conegliano en start daar in 1932. Halverwege het schooljaar wordt vader weer eens overgeplaatst en vervolgt Pier Paolo zijn studie in Cremona, de hoofdstad van de provincie Lombardije. Het gezin woont er eindelijk 3 jaar rustig in een hoekwoning op de kruising van de Via Il Febbraio met de Via Platina. Tot 1935 doorloopt Pier Paolo het Ginnasio Daniele en ontpopt zich tot een actieve puber.

Zijn belevenissen in Cremona inspireren Pier Paolo (in 1948-‘49) tot het autobiografische ‘Operetta Marina’. Pas in 1994 wordt dit jeugdwerk samen met ‘Romàns’, over een priester en een communist in het landelijke Noord-Italië, plus zijn artikel voor de linkse periodiek Progresso uitgegeven als onderdeel van een drieluik (ISBN-10: 8823512042).

Rechts cowboy Pier Paolo tijdens zijn jeugd in Cremona

In zijn vroege schrijfwerk schijnen de invloed van dichter, schrijver, moraalfilosoof en politicus Dante Alighieri en de Franse intellectueel, romanschrijver, essayist en criticus Marcel Proust al vroeg door. Met eenvoudige en poëtische taal roept hij beelden op uit zijn nabije omgeving en beschrijft hij het leven om hem heen.

Zijn vader wordt regelmatig overgeplaatst en het gezin betrekt vanaf 1935 een woning in Scandiano in de regio Emilia-Romagna. De 13-jarige Pier Paolo schudt alle religieuze achtergrond van zich af en stort zich in de wereld van kunst, poëzie en literatuur. Hij rondt met succes het gymnasium in Reggio Emilia af en studeert daarna door aan het Luigi Galvani, een klassieke, wetenschappelijke en taalkundige middelbare staatsschool als voorbereiding op de universiteit in Bologna. Pasolini ontmoet er Luciano Serra, zijn eerste vriend die later net als hij schrijver wordt.

Met Luciano deelt Pier Paolo de liefde voor literatuur, lokale dialecten en politiek. Hij start in de komende jaren met studievrienden Ermes Parini (Paria), Franco Farolfi, Fabio Mauri en Elio Melli een clubje voor literaire discussies en organiseert openbare lezingen over schrijvers als Dostojevski, Tolstoj en Shakespeare. Ter ontspanning speelt Pier Paolo graag voetbal. Hij is al snel aanvoerder van het universiteitsteam.

Identiteitskaart van de 17-jarige Pasolini

In 1939 schrijft de briljante leerling zich in aan de Faculteit der Letteren van de Universiteit van Bologna. Daar ontdekt hij nieuwe culturele passies zoals Romaanse filologie (taalkunde die zich richt op dode talen) en de esthetiek van de figuratieve kunst. Hij krijgt les van de veelgeprezen kunsthistoricus Roberto Longhi (1890 – 1970), die vanaf 1935 in Bologna doceert.

Pasolini zuigt alles wat hij tegenkomt op, van klassieke Griekse schrijvers tot Freud. Naast kunst en cultuur is er politiek. De fascistische bijeenkomsten van de GUF (Gruppi Universitari Fascisti) in en om de universiteit staan in schril contrast met de opkomst van de nieuwe stromingen in de Italiaanse poëzie en literatuur en toch neemt Pasolini deel aan de door GUF georganiseerde activiteiten. Pasolini maakt deel uit van de kleine groep die de kiem vormt van een frisse wind door het lokale literaire landschap. Onder hen bevinden zich Roberto Roversi en Francesco Leonetti, beide schrijver, dichter, journalist en docent.

Oorlogsjaren en eerste publicaties

De realiteit van de oorlog komt hard binnen als soldaat vader Pasolini in Oost-Afrika door de Britten gevangen wordt genomen. In die jaren houdt het incomplete gezin ‘vakantie’ bij moeder Pasolini in het ouderlijk huis in Casarsa. 

In 1941 start Pier Paolo met zijn vrienden het literaire tijdschrift Eredi op. Het blijft bij een poging want vanwege de beperkingen van de oorlog is drukwerk vrijwel onmogelijk. Toch lukt het hem om op eigen kosten zijn eerste publicatie Poesie a Casarsa (gedichten in Casarsa) te realiseren. Dit werk, bestaande uit 14 gedichten in het Friulisch, komt op 14 juli 1942 uit bij uitgeverij La Libreria Antiquaria Mario Landi di Bologna. Academicus en filoloog Gianfranco Contini (1912 – 1990) merkt de bundel op en wijdt er zijn essay ‘On the edge of dialect poetry’ aan, op 24 april 1943 gepubliceerd in het Zwitserse en Italiaanstalig dagblad Corriere del Ticino. De uitgave is meer dan een literair statement: het is een aanklacht tegen het fascisme.

‘Poesie a Casarsa’, 1942

Terug naar najaar 1942, waarin veel gebeurd. De fascistische jongerenorganisatie GIL (Italiaanse jeugd van Littorio, 1937-1943, in feite de Italiaanse evenknie van de Duitse Hitlerjugend) neemt de taak serieus om de jongelingen spiritueel, literair, cultureel en sportief te ontwikkelen. Pasolini is vier nummers adjunct-redacteur en illustrator van het lijfblad, Il Setaccio (Bologna, november 1942 tot 7 mei 1943), vertaalt als De Zeef. Hij gebruikt de periodiek als platform voor zijn creatieve uitingen en heeft de ambitie de fascistische jeugd aan de poëzie te krijgen.

In zijn ogen komt zijn echte carrière nu van de grond. Al snel komt Pasolini in conflict met de verantwoordelijke GIL-directeur, fascist Giovanni Falzone. Pasolini krijgt steeds meer aversie voor de ideologie, mede gevoed door zijn vriendschap met de joodse dichteres Giovanna Bemporad, die ook bijdragen levert aan Il Setaccio en tot de vriendenclub behoort met wie hij de zomermaanden in Casarsa doorbrengt.

‘Nota sull’odierna poesia’ (Opmerking over de hedendaagse poëzie) is chronologisch gezien de eerste echte publicatie van Pier Paolo Pasolini. Afgebeeld is pagina 6 van het GIL bulletin ‘Il Setaccio’ uit april 1942 – © universiteitsbibliotheek van Bologna, locatie 2118 / PER. 10220

Na deelname aan een studentenreis naar nazi-Duitsland, najaar 1942, schrijft Pier Paolo zijn artikel ‘Cultura italiana e cultura europea a Weimar’, gepubliceerd in het GUF magazine. Dit stuk geeft duidelijk weer hoezeer Pasolini’s culturele streven niet strookt met de bedoelingen van het tijdschrift. Diezelfde tijd wordt duidelijk dat het verloop van de oorlog steeds minder gunstig voor Italië uitpakt. De familie Pasolini trekt zich terug in Friuli, in het uiterste noordoosten van Italië.

In Casarsa wordt de jonge Pier Paolo in februari 1943 voor de eerste maal betrapt op homoseksuele activiteiten. Hij kan niet meer onderdrukken wat hij al zo lang voelt: “Een voortdurende beeld- en woordloze ververstoring klopt in mijn hoofd en verduistert mij.” Vanaf de lente geeft hij structureel toe aan zijn verlangens en ontmoet hij ‘inheemse’ jongens die hij verleid en meeneemt in de plaatselijke schoonheid van de natuur.

Pasolini’s leven wordt ruw verstoord aan de vooravond van de Wapenstilstand van Cassibile (3 september) wanneer hij wordt opgeroepen voor dienstplicht. Op 1 september meldt hij zich in Pisa. Vijf dagen later weet hij te ontsnappen, vermomd zich als boer en vlucht terug naar Casarsa.

Film still uit ‘Salò o le 120 giornate di Sodoma’, 1975

Begin 1943 start Pasolini aan zijn proefschrift over de hedendaagse Italiaanse schilderkunst. Zijn aantekeningen gaan verloren tijdens de Wapenstilstand van Cassibile en hij start een ander project, over de Italiaanse taalkundige, dichter en academicus Giovanni Pascoli (1855 – 1912). Net als Pier Paolo had Pascoli een uitgesproken voorkeur voor het bijzondere alledaagse. Daarnaast was hij een sociaal anarchist, een ideologie die Pasolini enorm aanspreekt

In de jaren 1944-’45 werkt Pasolini aan ‘Antologia della poesia Pascoliana’ en op 26 november 1945 studeert hij cum laude af aan de universiteit van Bologna. Pas in 1993 geeft uitgeverij Giulio Einaudi zijn proefschrift uit.

Enkele maanden eerder, op 28 februari 1945, richt Pasolini in Versuta (nabij Casarsa della Delizia) een school voor de poëzie en taal op die de principes volgt van de Italiaanse taalkundige Graziadio Isaia Ascoli (1829 – 1907), de grondlegger van de historische taalkunde. Hij doet dit samen met poëzieliefhebbers Cesare Bortotto, Riccardo Castellani, Ovidio Colussi, docent Federico De Rocco en zijn neef de schrijver Domenico Naldini. Pasolini draagt de Academiuta di lenga furlana op aan zijn broertje Guidalberto ‘Guido’.

Eind 1944 sluit Guido zich, na het behalen van zijn middelbare schooldiploma, als actieve partizaan aan bij de katholieke Brigate Osoppo. Op 7 februari 1945, tijdens het Porzûs bloedbad (Eccidio di Porzûs), wordt hij gevangen genomen door de communistische partizanengroep Gruppi di Azione Patriottica (GAP), onderdeel van de Garibaldi Brigades.

Guido ontsnapt op 12 februari, nota bene tijdens zijn executie. De GAP schiet in zijn schouder en arm, maar Guido weet een dorpsapotheek te bereiken. Verzorgende dorpsbewoners dragen hem over aan twee partizanen die zeggen hem naar een ziekenhuis te brengen. In plaats daarvan schieten ze hem dood.

Deze gewelddadige confrontatie, waarbij 17 Osoppo partizanen omkomen, heeft niets te maken met het beschermen van Italië en haar grenzen, het oorspronkelijke nationalistische doel van de Italiaanse partizanen, maar blijkt een politieke vete tussen de twee genoemde brigades.

Guidalberto ‘Guido’ Pasolini werd ook wel Ermes genoemd. Zijn officiële sterfdatum is 7 februari, de dag van zijn gevangenschap.

In 1961 schreef Pasolini over de situatie, die diepe indruk op hem maakt. Ik vertaal het begin:

“In de bergen, tussen Friuli en Joegoslavië, vocht Guido een paar maanden dapper: hij had zich aangemeld bij de Osoppo-divisie, die samen met de Garibaldi-divisie in het Venezia Giulia-gebied actief was. Het waren verschrikkelijke dagen: mijn moeder had het gevoel dat Guido nooit meer terug zou komen. Honderd keer had hij kunnen vechten tegen de fascisten en de Duitsers: omdat hij een vrijgevige jongen was die geen zwakheid toegaf, geen compromis. In plaats daarvan was hij voorbestemd om tragisch te sterven.

Venezia Giulia bevindt zich op de grens tussen Italië en Joegoslavië. In die periode neigde Joegoslavië er toe het hele grondgebied te annexeren en niet alleen waar het eigenlijk recht op had. Kortom, er is een strijd van nationalisme ontstaan. Mijn broer kon, hoewel hij socialistisch was (het is zeker dat hij vandaag aan mijn zijde zou zijn geweest), niet accepteren dat dit Italiaans grondgebied het doelwit van Joegoslavisch nationalisme zou kunnen zijn. Hij was ertegen en vocht.”

Periode 1945 – 1953: wortels

Terug naar de Academiuta di lenga furlana, zijn school voor poëzie en taal in Versuta, waar Pasolini verblijft omdat zijn ouderlijk huis tijdens de oorlog is verwoest. In augustus 1945 verschijnt het eerste nummer van Stroligùt di cà da l’aga: Il Lunarietto (kalender of almanak), het eerste officiële tijdschrift van de academie. In totaal verschijnen vijf edities.

Op zondagmiddagen verzamelen lokale jonge dichters zich en wisselen poëzievoordrachten af ​​met muziek van de Joegoslavische violiste Josipina (Pina) Kalz (1915-2003) die haar interpretatie van Bach geeft. Pasolini leert Kalz (eigenlijk Kalc) in februari 1943 kennen. Hij is getroffen door haar uitvoering van de zes vioolsonates van Bach.

Pina inspireert hem voor het personage muzieklerares Dina in zijn werk Atti impuri (Onzuivere handelingen), dat net als zijn bekendere jeugdwerk Amado mio (Mijn geliefden) gaat over zijn homoseksualiteit. Pina is heimelijk verliefd op Pasolini, die in die periode worstelt met zijn gevoelens. In de zomer van ’45 sluit ze zich aan bij een Triestijns symfonieorkest en in 1947 trouwt ze. Pasolini blijft op afstand een rol in haar leven spelen.

Groepsfoto van een bijeenkomst van de Academiuta di lenga furlana. Pasolini is de achtste van links, 1945

Na de oorlog begint het oeuvre van Pasolini serieuze vormen aan te nemen. De titels Quaderni rossi (De rode notitieboekjes), Pagine involontarie (De onbedoelde pagina’s) en Il romanzo di Narciso (De roman van Narcissus) volgen elkaar in rap tempo op. Een stijlkenmerk is zijn normale, volkse taalgebruik. Pogingen om van uitgave Stroligùt een fatsoenlijk magazine te maken, stranden.

Opnieuw is academicus en filoloog Gianfranco Contini die Pasolini richting bekendheid duwt. Hij is jurylid van de literatuurprijs Libera Stampa (vrije pers) en stimuleert de jonge schrijver om zijn manuscripten L’usignolo della Chiesa Cattolica (De nachtegaal van de Katholieke kerk) en Il pianto della rosa (De roep van de roos) in te dienen.

Verder dan een vermelding komt het niet. Langzaam lokken zijn literaire activiteiten Pasolini uit zijn isolement in Versuta. Voor zijn gedichten in de Friulische taal wint hij op 29 maart 1947 de Angeloprijs in Venetië en in oktober bezoekt hij Rome om kennis te maken met de letterkundigen en schrijvers aldaar. Pasolini voltooid zijn toneelstuk Il Cappellano (De kapelaan) en publiceert enkele dichtbundels, waaronder I pianti (De tranen).

Pasolini, 1945

Het Italiaanse communisme distantieert zich na de oorlog van de misdaden van het stalinistische regime en zoekt een ‘Italiaanse weg naar het socialisme’ richting progressieve democratie door de Italiaanse grondwet toe te passen. Dit spreekt Pasolini zeer aan vanwege zijn passie om ‘cultuur te zaaien’. Hij volgt de ideeën van schrijver, politicus en politiek theoreticus Antonio Gramsci (22 januari 1891 – 27 april 1937), een van de oprichters van de Partito Comunista Italiano (PCI).

Zijn interesse voor politiek krijgt vorm door zich te verbinden aan deze organisatie, destijds de grootste communistische partij van Europa. In 1949 wordt hij secretaris. Een logische stap, aangezien de PCI in feite voortkomt uit het Italiaanse verzet en zich fel kant tegen het fascisme waar Pasolini zo van gruwt.

Met de hulp van Contini timmert hij literair aan de weg met werken als La meglio gioventù (Het beste van de jeugd, publicatie in 1954) en Il sogno di una cosa (De droom van een ding, publicatie in 1962).

Tussen 1947 en ’49 doceert hij literaire vakken aan de middelbare school van Valvasone, een van de mooiste dorpen van Italië. Pasolini masturbeert met drie schooljongens, wordt gesnapt, veroordeeld, uit de school en uit de PCI gezet en vlucht met zijn moeder naar Rome.

Pasolini maakt kennis met de Abruzzese dialectdichter Vittorio Clemente. Clemente’s boek Sclocchitte (Klaprozen), Abruzzese sonnetten (1949) trekt zijn aandacht. Via Clemente krijgt hij een baan als leraar in een privéschool in Ciampino, een deelgemeente van Rome. Daarnaast is hij corrector bij een krant, werkt af en toe voor de roemruchte Cinecittà-studio’s en verkoopt zijn boeken via de bancarelle, de kleine boekenwinkeltjes in Rome. Zijn moeder is serveerster.

Tussen de bedrijven door schrijft Pasolini Atti impuri (Onzuivere handelingen), Amado mio (Mijn liefde), La meglio gioventù (Het beste van de jeugd), Ragazzi di vita (Straatjongens), Squarci di notti romane (Een glimp van de Romeinse nachten, in feite de opmaat naar zijn debuutfilm Accatone) en Gas e Giubileo, een verhaal dat later als onderdeel van de publicatie Alì dagli occhi azzurri (Ali met de blauwe ogen) zou verschijnen. Zijn eigen ervaringen in de krochten van Rome vormen de inspiratie voor deze ruwe werken, die na publicatie behoorlijk wat opschudding veroorzaken.

Sandro Penna en Pier Paolo Pasolini – © Mario Dondero

Hij leert Rome beter kennen door de ontmoeting met de bohémien Sandro Penna (1906 – 1977), volgens Pasolini een van de grootste Italiaanse dichters van zijn tijd. Samen struinen ze in de nachtelijke uren langs de boulevards aan de oevers van de Tiber, de Lungotevere, en maken nieuwe vrienden. Vrienden zoals schilder, en later regisseur, Sergio Citti die hem de taal van de straat leert. In deze periode schrijft Pier Paolo zijn Romeinse dagboek Roma 1950 – Diario, pas uitgegeven in 1960.

Roma, 1953

Pasolini verhuist naar een appartement aan de Via del Tagliere 3, in het hart van de Romeinse wijk Rebibbia, waar hij tot 1953 blijft. In deze periode schrijft hij het korte verhaal Il Ferrobedò (later onderdeel van het boek Ragazzi di vita) in het tijdschrift Paragone (vertaling: vergelijking, debat) en het gedicht L’Appennino (De Apennijnen, 1951), de opening voor zijn uitgave Le ceneri di Gramsci (De as van Gramsci, 1957).

Pasolini speelt zich in de kijker en neemt deel aan de Cattolica dialect poëzieprijs en wint een tweede prijs met zijn Il testamento di Coran (Coran’s testament), dat in 1954 deel uitmaakt van de publicatie La meglio Gioventù (Het beste van de jeugd). Hij wint prijzen zoals de Le Quattro arti di Napoli en Sinalunga di Sinalunga. Grappig detail: in Toscaanse stadje Sinalunga is een straat vernoemd naar Pasolini.

Periode 1953 – 1956: groeispurt

Met de wind in de rug schrijft Pasolini alsof zijn leven ervan afhangt en publiceert hij poëzie voor Guanda en literatuur voor Sansoni. Degenen die bekend zijn met Pasolini zijn vanaf dit moment bekend met zijn levensloop en ik zal er in mijn artikel niet verder over uitweiden. Aardig om te vermelden is dat zijn eerste vruchtbare samenwerking op filmgebied dateert van 1954, toen hij samen met zijn vriend en schrijver Giorgio Bassani (1916 – 2000) het scenario schrijft voor La donna del fiume (De riviervrouw, met Sophia Loren) van regisseur Mario Soldati (1906 – 1999).

Sophia Loren in een van haar eerste filmrollen, nota bene de hoofdrol in ‘La donna del fiume’ (De riviervrouw, 1954) van Mario Soldati. Pasolini schreef mee aan het script. Okselhaar!

In dat jaar heeft Pasolini voldoende inkomen om te verhuizen naar een betere buurt en betrekt een appartement aan de Via Fonteiana 77.

Via Fonteiana 77, Roma

Pasolini is betrokken bij het literair tijdschrift Officina met publicaties tussen 1955 en 1959. In feite was Eredi van 15 jaar eerder een prelude. Er ontstaat een literaire groep met uiteenlopende leden die samen een eclectisch geheel vormen. Gezamelijk gaan zij op zoek naar een nieuwe definitie van poëzie. Ze hebben een sterk geloof in het idee dat cultuur een drijvende kracht is in de vernieuwing van de samenleving. En zo zie ik het ook nog steeds. Tenminste, als cultuur de kans krijgt.

Door zijn activiteiten krijgt Pasolini in de tweede helft van de jaren ’50 een centrale rol in de Italiaanse cultuur, ondanks zijn, zeker voor die tijd, heftige thema’s zoals homoseksuele prostitutie en openlijke politieke voorkeur die afwijkt van de geldende norm. Vanaf het moment dat zijn populariteit stijgt, krijgt hij kritiek te voorduren. Op zijn Ragazzi di vita bijvoorbeeld, waarover in 1955 een rechtszaak loopt. Met name de dialogen geven aanstoot in het conventionele katholieke Italië. Pier Paolo redt zich uit deze benarde situatie met de hulp van zijn vrienden. Zij hebben een andere kijk op zijn werk en prijzen hem de hemel in.

Daarnaast helpt zijn overtuigend atheïsme en Antiklerikalisme, de stroming die zich keert tegen de invloed en machtspositie van de geestelijkheid op het openbaar leven, het onderwijs en de politiek. Juist Pasolini erkent de invloed van tweeduizend jaar christendom op zijn omgeving en dus ook in zijn leven. Maar er is veel meer dan religie. Hij is er zelf ook nog. En wat te denken van de kunsten, de literatuur, de mensen om hem heen, de politiek…

Pasolini met een kopie van ‘Ragazzi di vita’, zijn omstreden roman over mannelijke prostitutie, 1955

Periode 1956 – 1969: vogelvlucht

De jaren ’50 van de vorige eeuw zijn een voor Europa ongekend roerige periode. Samenlevingen en alle tot dan toe geldende opvattingen, gaan na de oorlog de confrontatie met elkaar aan en worden door elkaar gehusseld. Wat in 1956 als een bom inslaat, tenminste bij communist Pier Paolo, is het 20e congres van de Russische Congrespartij. Partijleider Nikita Khrushchev (1894 – 1971) neemt tussen 14 en 25 februari openlijk afstand van de daden van kameraad Josef Stalin, tot woede van de conservatieve stromingen binnen het Russische communisme.

Khrushchev slaat vervolgens met harde hand de Hongaarse Opstand (23 oktober tm 10 november) neer en houdt zich met moeite politiek staande. De basis die Vladimir Iljitsj Lenin (1870 – 1924) vanaf 1917 had gelegd, werd min of meer zijn politieke uitgangspunt. Het rol van het volk krijgt daarbij een plek op de voorgrond en de staat doet een stapje terug. Dit sprak Pasolini ongelofelijk aan. Wat hij nog niet weet, en hij is niet de enige, is dat deze farce eerder een politieke truc is dan een wezenlijk teken van humaniteit.

Voordat ik eindelijk aan De Laatste Rede toekom, vlieg ik door een handvol belangrijke gebeurtenissen en behandel kort de films van Pasolini. Een hoogtepunt is de Viareggio-prijs voor zijn Le Ceneri di Gramsci, in 1957. Het jaar daarop sterft zijn vader, stopt Officina en verlegt Pasolini het zwaartepunt van literatuur naar films. Zo wordt zijn Una Vita Violenta in 1961 verfilmd door regisseurs Paolo Heusch en Brunello Rondi. Een jaar eerder klagen Katholieke instanties Pasolini aan vanwege het obscene karakter van zijn boek.

Pasolini voelt zich thuis in Rome en trekt van de verpauperde buurten richting betere wijken. In juni 1959 verhuist hij van de Via Fonteiana naar de Via Giacinto Carini, waar ook regisseur Bernardo Bertolucci woont. Een jaar later draagt hij bij aan diens La Dolce Vita hoewel ongecrediteerd. 

Het jaar erna komt Accattone uit, zijn eerste volledige film en de eerste Italiaanse bioscoopfilm die een verbod op minderjarigen onder de 18 jaar kreeg. De kop is eraf! Met de toename van publicaties en films neemt de weerstand tegen hem toe. Vanaf 1960 komt hij regelmatig in opspraak en volgen er tientallen rechtszaken.

Enrique Irazoqui (Jezus) en Pasolini tijdens de opnamen van ‘Il vangelo secondo Matteo’, Sassi de Matera, 1964

In mei 1961 komt eindelijk Il sogno di una cosa uit, zijn Friulische roman uit 1949-50, en op 31 augustus 1962 wordt op het filmfestival van Venetië Mama Roma gepresenteerd.

In 1961 reist hij samen met Alberto Moravia en Elsa Morante door India. Voor beiden is het een welkome ontsnapping aan het naoorlogse Italië. Ze ontmoeten historische figuren als Nehru, Moeder Teresa en collega-schrijver Chaudhuri. Wat het meest indruk maakt, zijn de talloze bedelaars, de kleurrijke cultuur en de overweldigende godsdienst. Pasolini verwerkt zijn ervaringen in de uitgave L’odore dell’India (De geur van India). Moravia schrijft Un’idea dell’India (Een idee over India).

In september leest hij het evangelie van Mattheüs voor tijdens een conferentie in de Citadel van Assisi. Het idee voor een film werkt hij uit naar Il vangelo secondo Matteo (debuut 4 september 1964) met in de hoofdrol een Spaanse student die sprekend lijkt op de Christus geschilderd door Goya. De film is opgenomen in de zuidelijke stad Matera en Massafra. Een jaar eerder zit Pasolini vier maanden in de gevangenis wegens minachting voor de staatsgodsdienst.

Zijn versie van Matteo wordt goed ontvangen, hij ontmoet Jean-Paul Sartre (1905 – 1980) en maakt in 1965 een uitgebreide reis naar Noord-Afrika. Getroffen door een maagzweer en bloeding doet hij het rustig aan. Hij concentreert zich op stukken voor toneel en bereid twee films voor: Theorema en Oedipus re. In de zomer maakt hij met zijn moeder een reis naar de streek waar hij zijn jeugd doorbracht. Hij koopt een gebruikte Maserati 3500 GT en ze rijden samen naar Carnia, de streek waar de taalminderheid Carni zijn gevestigd. In de herfst bezoekt hij New York en ontmoet dichter en schrijver Allen Ginsberg.

Pasolini in New York, 1966 – © Duilio Pallottelli / L’Europeo RCS

In 1967 verfilmt hij Oedipus re in Marokko, Lodi en Bologna. In Italië wordt de film geen succes, in tegenstelling tot het buitenland. In 1968 volgt Teorama door de Office Catholique International du Cinèma beloond met een prijs die later zal worden ingetrokken op last van de Paus. 

Voor mij is Medea (1969) de meest aansprekende film van Pasolini. Niet in de laatste plaats vanwege het optreden van Maria Callas (1923 – 1977), die op dat moment al vier jaar geen optredens meer geeft en toch op het hoogtepunt van haar roem is. De opnames vinden van dit stuk van Euripides (431 VC) vinden plaats in Cappadocië , in Grado en Pisa.

De bijzondere (zuiver platonische) vriendschap tussen Callas en Pasolini valt vriend en vijand op. Op zijn moeder na heeft geen andere vrouw zo’n hechte en liefdevolle relatie met hem. Best bijzonder, want Callas moet weinig hebben van marxisten en homo’s en Pier Paolo heeft niet veel op met opera. Vanaf hun eerste kennismaking vonkt het. “Ik vind Callas een ongelofelijk moderne vrouw. In haar woont een eeuwenoude ziel: wild, magisch, mysterieus en vol innerlijke conflicten”, aldus de filmer. Hij kiest Callas voor Medea, haar enige rol waarin ze niet zingt, en schetst 14 portretten vormgegeven met natuurlijke materialen zoals zand en bloemen.

Pasolini en Callas tijdens de première van ‘Medea’, 1969

Periode 1970 – 1975: neergestreken

Zomer 1970 schrijft Pasolini een reeks korte verhalen die uiteindelijk een drieluik vormen: Il Decameron (1971), I racconti di Canterbury (1972) en Il fiore delle Mille e una notte (1974). Dit worden zijn meest succesvolle films: op 28 juni 1971 ontvangt hij voor Il Decameron op het filmfestival van Berlijn de Zilveren Beer (en in heel Italië meer dan 30 klachten) en in 1974 prijst het filmfestival van Cannes zijn Il fiore delle Mille e una notte met de Grand Prix Spécial du Jury.

In de herfst van 1970 koopt Pasolini de Torre di Chia, een soort kasteel bij het dorpje Chia, in de gemeente Soriano nel Cimino, provincie Viterbo. Hij ontdekt in het voorjaar van 1964 de bouwval tijdens zijn zoektocht voor de scene voor de doop van Jezus in de Jordaan in Il vangelo secondo Matteo.

Art-director Dante Ferretti restaureert de toren en bouwt op de begane grond een glazen huisje met een keuken en studio. Tot aan zijn dood woont Pasolini op naar zijn zeggen de mooiste plek ter wereld. De Chia Toren, in Ghibelline-stijl, heeft een vijfhoekige vorm en is 42 meter hoog. Bij het kasteel en een reeks gekantelde muren tussen de bossen, stromen en watervallen, zijn overblijfselen van molens en huizen zichtbaar.

Begin 1971 maakt Pasolini de documentaire 12 dicembre (12 december), over het bloedbad op het Piazza Fontana in de Banca dell’Agricoltura in Milaan. Op die datum in 1969 verloren 16 mensen hun leven tijdens een bomontploffing die ook nog eens 84 ongelukkigen verwond. Anarchist en verdachte Giuseppe Pinelli werd drie dagen lang verhoord en ‘sprong’ uiteindelijk uit het raam van de vierde verdieping van het politiebureau. De serie van 5 aanslagen op dezelfde dag wordt gezien als ‘de moeder aller bloedbaden’ en de eerste terroristische daad in het naoorlogse Italië. Pas in 2005 werden de daders bekend maar niet veroordeeld: zij waren in 1987 reeds vrijgesproken…

This image has an empty alt attribute; its file name is 1973-Iran.jpg
Pasolini op locatie in Iran voor ‘Il fiore delle Mille e una notte’, 1973

Pasolini schrijft door. In 1972 aan Empirismo eretico (Garzanti, 1972) en aan het onvoltooide en volumineuze Petrolio, dat pas in 1992 postuum wordt uitgegeven. In 1973 verbreekt hij zijn verbintenis met uitgeverij Garzanti en accepteert het aanbod van Giulio Einaudi, op dat moment ‘the most prestigious publishing house in Italy’. Met een enorme werkdrift levert hij naast concepten die nooit afkomen een duizelingwekkende stroom aan artikelen, theaterstukken en ideeën voor boeken en scripts af.

Ondertussen spuugt hij op zijn vaderland:
“Italië is een land dat steeds dommer en onwetend wordt en waar ondraaglijke retoriek wordt gecultiveerd. Bovendien is er geen slechter conformisme dan dat van links. Vooral natuurlijk als het ook door rechts wordt uitgedragen.”
Aan zijn uitspraken te zien, was er toen een behoorlijke verwantschap met het Europa van nu…

Einde

Zijn laatste film, het controversiële Salò, wordt op 22 november 1975, en dus na zijn dood, gepubliceerd op het filmfestival van Parijs. In oktober levert hij bij leven zijn laatste boek La Divina Mimesis aan Einaudi.

Vlak daarvoor, op 21 oktober, is Pasolini in Lecce voor zijn beroemd geworden gespreksles Volgar’eloquio. Daarna reist hij af naar Zweden en bespreekt in Parijs de Franse editie van Salò. Op 31 oktober is hij terug in Rome en schrijft zijn laatste openbare document: een toespraak voor op het 15e congres van Il Partito Radicale (PR). Zijn afspraak op de 4e november zou hij niet halen…

“De meest aanbiddelijke mensen zijn degenen die niet weten dat ze rechten hebben.”

“Er zijn in onze samenleving de uitgebuitenen en de uitbuiters.”

“Er zijn toegewijde intellectuelen, die het als hun plicht en de plicht van anderen beschouwen om de aanbiddelijke mensen, die het niet weten, te informeren dat ze bepaalde rechten hebben.”

“Iedereen weet dat wanneer de uitbuiters goederen produceren, ze in feite sociale patronen produceren. De uitbuiters van de tweede industriële revolutie (consumptiemaatschappij gekenmerkt door kwantiteit, overtollige goederen en hedonisme) produceren niet alleen nieuwe goederen: ze produceren ook een nieuwe mensheid.”

“Consumentisme kan de nieuwe sociale patronen die de uitdrukking zijn van nieuwe productiemethoden onveranderlijk maken door via hedonistische ideologie een context van valse tolerantie en valse lekenwaarden te creëren. Die laatste hebben zich al onzichtbaar aangesloten bij de onzichtbare machtsstructuur door een onzichtbare partijkaart te accepteren.

Alles wat je tegen deze trend moet doen, is volgens mij gewoon jezelf blijven zijn: dat betekent dat je onherkenbaar blijft.

Vergeet onmiddellijk je successen en blijf onverstoorbaar, koppig en eeuwig tegenstrijdig doorgaan. Blijf veeleisend en probeer anders dan anderen gezien te worden, door aanstoot te nemen en te ontheiligen.”

Pasolini op locatie voor ‘Il fiore delle Mille e una notte’, 1973

Zijn allerlaatste publicatie bij leven komt in tijdschrift LIFE op 30 oktober. Het is een artikel met een toon die aansluit bij Scritti corsari, een verzameling artikelen die Pasolini tussen 1973 en 1975 publiceerde in Corriere della Sera, Tempo Illustrated, Il Mondo, Nuova Generation en Paese Sera. November 1975 geeft uitgeverij Aldo Garzanti postuum de door Pasolini herziene drukproeven uit.

Dood

In de nacht van 1 op 2 november 1975, op het strand van Idroscalo di Ostia, 10 km ten westen van Rome, wordt de tengere Pasolini (1,67 m, 59 kg) in elkaar geslagen en overreden door zijn eigen Alfa Romeo GT Veloce. Op 2 november om ongeveer half zeven ’s ochtends vind een vrouw zijn afgeslachte lichaam.

Al snel word de zeventienjarige Pino Pelosi door de politie opgepakt. Pelosi beweert door Pasolini te zijn uitgenodigd om in zijn Alfa te rijden, met hem te dineren en daarna naar het strand te zijn gereden. De uit de hand gelopen ruzie zou de dood van Pasolini tot gevolg hebben, aldus zijn bekentenis. Op 26 april 1979 veroordeeld de hoogste instantie hem tot 9½ jaar gevangenisstraf.

Omstanders vertellen de beroemde Italiaan gezien te hebben, omdat hij de illegale woningen regelmatig gebruikte als schuilplaats voor zijn homoseksuele contacten. Nachtelijk geschreeuw uit meerdere kelen verraden meerdere daders, of in ieder geval getuigen.

Drie decennia na de moord op Pasolini ontkent Pino zijn daad en zegt destijds onder druk van de (drie) echte moordenaars bekend te hebben. In 2011 legt hij in zijn boekje ‘Ik weet… hoe ze Pasolini hebben vermoord’ de ware toedracht uit. De killers arriveren in een Fiat 1300 met een Siciliaanse (Catania) kentekenplaat en schreeuwen ‘jarrusu’, een Calabrisch of Siciliaans homo-scheldwoord.

Diverse getuigenissen van enkele uren na de moord beschrijven een jongeman in het gezelschap van Pasolini, maar niet met een gelijkenis die naar Pino verwijst…

De bril van Pasolini, gevonden op 2 november 1975

De Italiaanse schrijver, journalist en activist Oriana Fallaci (bekend van haar interview met ayatollah Khomeini) is de eerste die het vermeende politieke motief voor de moord op de dichter aan de kaak stelt. In een op 21 november 1975 gepubliceerd onderzoek in weekblad L’Europeo (1945 – 1995) blijkt dat er een groep jongeren rondliep met het idee om Pasolini om te brengen. Onder het mom van een roof pleegde zij hun moord.

Een derde en veel verontrustendere mogelijkheid kwam later naar boven en betreffen zijn onvoltooide en ruim 500 pagina’s tellende roman Petrolio met duidelijke verwijzingen naar de industriële giganten Eni en Montedison. In 2010 ontdekt politicus Marcello Dell’Utri (in 2014 veroordeeld voor banden met de maffia) dat de roman ontbrekende pagina’s bevat waar in de tekst wel naar wordt verwezen. Hoofdstuk Lampi sull’Eni (de bliksem op Eni) is alleen als titel aangegeven en ligt waarschijnlijk bij een onbekende eigenaar.

Zo is de moord op Pasolini omgeven met mysterie en waarschijnlijk geen roof- of homo-moord, maar een misdaad met een politiek-maatschappelijk karakter. Dat de moord in Italië een afschrikwekkend karakter krijgt, blijkt uit de kreet ‘Ti faccio fare la fine di Pasolini’ (Ik laat je eindigen als Pasolini) die nog jaren na 2 november 1975 rondzingt.

Het laatste woord over de moord is nog niet gezegd. Vrienden en bekenden uit zijn kring beschrijven zijn beestachtige en gewelddadige manier van leven. Na zeven uur ’s avonds veranderd hij in een persoon en kwam hij na zijn nachtelijke avonturen terug vol schrammen en blauwe plekken…

Miste hij de prikkel, de angst om te sterven? Bedacht Pasolini zijn dood, gescript en geregisseerd tot de laatste minuten?

Ik geef zijn vriendin Oriana Fallaci het laatste woord, geschreven in een brief uit 16 november 1975.

“We werden onmiddellijk vrienden, onmogelijke vrienden.
Dat wil zeggen: ik ben een normale vrouw en jij een abnormale man.
Althans volgens de hypocriete canons van de zogenaamde beschaving.
Ik ben verliefd op het leven en jij op de dood.
Ik ben zo hard en jij zo lief.”

De laatste rede van Pier Paolo Pasolini

Pasolini in Lecce, 21 oktober 1975

b