Gramsci, Bakoenin en Pasolini

25-03-2026 – Wie Antonio Gramsci kent, hoort een opmerkelijke echo in de recente opmerkingen van Ilja Leonard Pfeijffer. Zijn laatste boek ‘Absolute Democratie – Kroniek van een aangekondigde afrekening‘ gaat over zijn vaststelling dat verworvenheden als democratie en open samenleving mondiaal onder grote druk staan en de toestand in de wereld kritiek is.

Dat voel ik ook zo. Al een jaar of 40. In 1985 leerde ik het werk van Pier Paolo Pasolini kennen, en daarmee zijn invloeden waaronder Gramsci. Volgens deze Italiaanse denker sterft een politieke orde niet plotseling maar verliest zij eerst haar hegemonie.

De beroemde gevangenisdagboeken ‘Quaderni del carcere‘ van Gramsci gaan over macht, cultuur en hoe ideeën de samenleving vormen. Ik vond in deze uitgave interessante gedachten uit tijden die minstens zo roerig waren als de onze, namelijk de opkomst van het fascisme in Italië. Hetzelfde gevaar ligt nu ook weer op de loer.

Antonio Gramsci (Ales, Sardinië, 22 januari 1891-Rome, 27 april 1937)

Via Pasolini kwam ik dus bij Gramsci terecht, eveneens een slachtoffer van het fascisme en een buitengewoon originele en invloedrijke denker met vrij zuivere marxistische sympathieën. In 1985 was ik 18. Ik stond open voor elke frisse wind die het muffige stof kon blazen van het, in mijn ogen, vastgeroeste Europese schip ‘De eenheidsworst’. Er moesten toch andere routes mogelijk zijn dan slaafs de USA volgen?

Voor wie een beeld wil krijgen van die tijd: Thatcher (VK) en Reagan (USA) waren aan de macht, Gorbachev startte in de USSR de perestrojka (een programma voor economische hervormingen) en ook in China waaide een frisse wind onder leiding van Deng Xiaoping. Spanje en Portugal traden toe tot de EEG. In Nederland waren CDA’ers Dries van Agt en Ruud Lubbers minister-president.

Tijdens mijn eindeloze omzwervingen door Delftse bibliotheken vond ik vertaalde delen uit ‘Scritti Corsari‘ van Pier Paolo Pasolini. Zijn kritische kijk op het Italië van de jaren 60 en 70 veranderden mijn blik op het Nederland (West-Europa) van ‘mijn’ jaren 80. En ik ontdekte de denkers die al tijdens en voor mijn geboortejaar druk waren met het formuleren van uitvluchten uit de eenvormige consumentenhel met als template de USA.

Nog weer 40 jaar eerder, tussen 1929 en 1935, schreef Antonio Gramsci in gevangenschap 30 boeken vol met zijn politieke aantekeningen. In Italië was dictator Benito Mussolini van 1922 tot 1943 minister-president. Tijdens zijn fascistische bewind was geen plek voor gevaarlijke denkers als Gramsci. Van wat hij toen beschreef, komt veel overeen met wat schrijver Ilja Leonard Pfeijffer nu uitdraagt, in zijn laatste boek ‘Absolute Democratie – Kroniek van een aangekondigde afrekening’ en tijdens clips, presentaties en interviews.

Mijn post op LinkedIn over dit onderwerp had binnen een dag mee dan 10.000 views. Dan speelt er iets. Het raakt zielen die, net als ik, betrokken zijn bij wat ons allemaal aangaat.

Ergens diep in de krochten van mijn directory lag al jaren een schets klaar voor een essay over Gramsci, Bakoenin en Pasolini. Waarom? Omdat ik een rode lijn zie in hun beschouwingen. Aanleiding was destijds (lente 2020) de afronding van mijn trilogie over Pasolini. Ik leg de visies van de 3 heren over elkaar en brouw er met dit stukje hopelijk iets bruikbaars en leesbaars van.

Gramsci was dus in zijn tijd een inspirerende figuur voor Pasolini, en werd dat een jaar of zes geleden ook voor mij. De tijd is een sinusbeweging. Veel herhaalt zich.

“De crisis bestaat precies daarin dat het oude sterft en het nieuwe niet geboren kan worden. In dit machtsvacuüm verschijnen de meest uiteenlopende morbide verschijnselen.” – Antonio Gramsci

Hear, hear.

Volgens Gramsci kunnen democratische instituties dus formeel blijven bestaan, terwijl hun maatschappelijke legitimiteit en culturele basis verdwijnen. In zo’n grillige tussenfase ontstaan populistische leiders, cynisme tegenover politiek en een gevoel dat het systeem niet meer werkt.

Dat klinkt verrassend actueel, niet?

Verschillen tussen Pfeijffer en Gramsci

Ik zie wel verschillen tussen de visies van Pfeijffer en Gramsci. Pfeijffer beschrijft vooral de democratie die leegloopt, en hij benadrukt mediacultuur, spektakelpolitiek en populisme.

Gramsci analyseerde 100 jaar geleden niet de symptomen en effecten, maar het mechanisme en het verlies van culturele en intellectuele hegemonie. Hij leefde in een voor hem complexe tijd waar grip op enige richting en vooruitgang leek te ontbreken.

De periode 1880-1920 wordt ook wel gezien als de tijd waarin de moderne wereld in Europa definitief vorm en momentum kreeg. Italië veranderde toen enorm. Het Noorden werd een soort paradijs van vooruitgang, productie en welvaart. Het Zuiden bleef achter als een totaal andere wereld. Gevoed door besluiteloze en verdeelde politiek en een sterk gevoel van nationalisme greep het fascisme van Mussolini haar kans toen de aansluiting bij de Geallieerden (Pact van Londen) verkeerd uitpakte.

Kenmerkend voor die tijd zijn een stroomversnelling van gebeurtenissen, zoals politieke verschuivingen, invoering van industrialisatie, omarming van nieuwe technologieën, kiesrechten (vrouwen, arbeiders), veranderingen van cultuur door het trekken van strikte grenslijnen, de opkomst van de Verenigde Staten, Rusland en Japan, het aan dominantie verliezende Europa en de start van een wereldeconomie en internationale markten.

Inmiddels verlangen we wellicht met weemoed terug naar de overzichtelijkheid van begin vorige eeuw. In de 21e eeuw is immers alles aan elkaar verbonden.

Europa was na de Eerste wereldoorlog behoorlijk in verwarring. Tijdens het Interbellum werden grenzen getrokken, dwars door gebieden waar volken en groepen leefden. Een democratie functioneert alleen wanneer een brede culturele consensus bestaat over waarden, instituties en toekomst. Precies dat kwam onder druk te staan. De onderlinge verdeeldheid was enorm.

Hegemonie is het overwicht, de leiding of de opperheerschappij van een staat, groep of klasse over anderen. Het betekent dominantie op politiek, economisch of cultureel gebied en richtinggevend in bepaling van normen en waarden. Draagvlak ontstaat als een boodschap gedragen kan worden door een invloedrijke groep. Dat lukte 100 jaar geleden niet.

Ook anno nu leven er steeds meer groepen dwars door elkaar, wat zorgt voor onthechting, irritatie, bescherming van eigen belang en miscommunicatie. Hegemonie in een versplinterde – of zelfs gepolariseerde – samenleving is dan lastig of onmogelijk.

Wachten we weer op een oorlog die antwoorden moet geven, of kunnen politiek en andere machten eindelijk hun verstand inzetten om te bouwen aan een doorstart en een stabiele wereldvrede waarin vooruitgang eindelijk een duurzaam alternatief wordt?

In de voedingsbodem van het Interbellum zag extreemrechts kansen, wat zich vertaalde in extreme regimes en fascisme, zoals in Italië (Benito Mussolini, 1922-1943), Duitsland (Adolf Hitler, 1933-1945), Portugal (António de Oliveira Salazar, 1932-1968), Oostenrijk (Engelbert Dollfuss en Kurt Schuschnigg, 1933-1938), Hongarije (Miklós Horthy, 1920-1944), Roemenië (Ion Antonescu, 1940-1944), Polen (Józef Piłsudski, 1926-1935) en Spanje (Francisco Franco, 1939-1975). Ik vind dat een behoorlijke rij.

De vanzelfsprekende hegemonie was immers niet meer ‘by default’ weggelegd voor de rijken, adel, de kerk of machtige industriëlen. En al helemaal niet meer vanzelfsprekend vanwege een allesomarmende cultuur (inclusieve of holistische cultuur). Die ontbrak of verbrokkelde. Extreemrechts zag haar kans en greep direct de macht.

De gemiste kans

Sinds de Industriële Revolutie kreeg het proletariaat (sociale klasse van loonarbeiders) steeds meer macht. Deze enorme groep, vatbaar voor organisatie en met zin in macht, was makkelijk te beinvloeden. Ze woonden immers in wijken, bij elkaar en met als overeenkomst dat iedereen het beter wilde hebben. Bovendien was zo’n arbeiderswijk snel op de hoogte van het laatste nieuws, buiten het zicht van de rijke klasse en kerk.

Eind 19e en begin 20e eeuw verdiepten arbeidersgroepen zich in nieuwe stromingen als communisme, socialisme en fascisme. De Russische Revolutie werd in het moderne Westen met argusogen bekeken. Of afgekeurd, zoals door de steeds machtiger wordende Verenigde Staten. Ondertussen waren er in Europa lieden aan de macht die nu ook niet heel lekker bezig waren.

Gramsci probeerde destijds te begrijpen waarom arbeiders zich niet massaal groepeerde. Hij concludeerde dat macht niet alleen via geweld werkt, maar vooral via culturele invloed en instemming. Hij geloofde in een culturele hegemonie waarbij de heersende klasse haar macht behoudt doordat haar waarden en ideeën als ‘normaal’ of ‘gezond verstand’ kunnen worden gezien. Mensen nemen politieke ideeën vaak onbewust over. Of begrijpen het pas als ze erop worden aangesproken.

Volgens Gramsci heeft elke sociale groep haar eigen ‘organische intellectuelen’. Dit zijn individuen die ideeën formuleren en verspreiden en die de groep samenhang geven. Vaak zijn dit ‘influencers’, figuren die uiteindelijk de weg naar de media vinden en politici, denkers en industriëlen kunnen beïnvloeden. Macht zit dus niet alleen in de staat (regering, handhaving, wetgeving), maar ook in scholen, kerken, media, verenigingen, vakbonden (arbeiders) en cultuur. Daar wordt instemming met het systeem geproduceerd. Zij het los van elkaar en zelden goed georganiseerd. Vatbaar dus, bijvoorbeeld voor beïnvloeding en omkoping. De kans dat het recht van de sterkste of rijkste overwint, is groot.

In plaats van een plotselinge revolutie (zoals in Rusland) zag Gramsci dat in West-Europa een ‘lange strijd om ideeën’ nodig was voor een culturele en intellectuele opbouw, voordat politieke macht kon veranderen. Een democratie sterft op deze manier niet alleen door slechte politici, maar doordat de dragende ideeën hun overtuigingskracht verliezen. Vaak lang voordat nieuwe ideeën omarmd of uitgeprobeerd worden.

Gramsci wantrouwde de bestaande instellingen van zijn tijd: staat, kerk, burgerlijke partijen, academies. Die hadden ook geen weerwoord meer tegen de oprukkende moderne tijd. Elk Europees land ging daar op eigen wijze mee om.

In Italië kreeg het fascisme voet aan de grond. Zodra een democratie (op deze wijze) afsterft, bijvoorbeeld doordat de ‘organische intellectuelen’ geen kans meer krijgen, gedwarsboomd worden, of iets daar tussenin, kan het nieuwe niet geboren worden. Dit is een uitgelezen kans voor ‘monsters’, aldus Gramsci in een van zijn vaak aangehaalde quotes.

Zoals ik aangaf kwam in de periode 1922-1933 ook op andere plaatsen in Europa de weg vrij voor de opkomst van het fascisme. En ook in ‘onze tijd’ zorgt een dergelijke slopende trend voor koren op de molen van autoritair-rechts, populisme en snelle (kortzichtige) media. Wat (sinds eind jaren 90) meehelpt aan de afbraak is de enorme welvaart, die niemand zich meer laat afnemen en doorgroeit naar landen die vinden dat ze daar nu eindelijk ook eens recht op hebben. Denk aan Zuid-Amerika, Afrika en Azië.

Cultuur, media en consumptie

Aan het einde van de 20e eeuw is het gezin geen hoeksteen van de samenleving meer, namen normen en waarden van (christelijke) godsdiensten af terwijl de westerse welvaart met de daarmee samenhangende honger naar massale en ongeremde consumptie toeneemt. Die trend is nog niet aan haar eind.

In zo’n situatie krijgt het individu vrij spel en kiest moeiteloos voor zichzelf. Waarom zou je in hemelsnaam nog aan een groep denken, of iemand een kans geven om kritiek te hebben op wat jij doet, wilt of bent?

“In a world in which everything is available, nothing has any meaning.” – Margaret Atwood (2007)

Interessant is dat veel hedendaagse denkers eigenlijk weer bij Gramsci uitkomen: politiek wordt uiteindelijk beslist in cultuur, taal en verbeelding. En niet tijdens verkiezingen…

“Ik ben pessimist vanwege mijn verstand, maar optimist vanwege mijn wilskracht.” – Antonio Gramsci (december 1929)

Pasolini zag eind jaren 60 de consumptiemaatschappij als een nieuwe vorm van Gramsciaanse hegemonie: niet opgelegd door geweld, maar door cultuur, televisie en consumptie.

Pasolini’s cruciale inzicht was dat de formele staat niet langer de primaire machtsdrager was. In essays als ‘Scritti corsari’ en ‘Lettere luterane’ schreef hij dat het fascisme van Mussolini voor iedereen zichtbaar en herkenbaar was, maar de nieuwe macht onzichtbaar, permissief en cultureel opereert.

“Het nieuwe fascisme komt niet met knuppels, maar met televisie.” – Pier Paolo Pasolini

Daarmee week hij af van klassieke dystopieën: de onderdrukking is niet repressief maar verleidelijk. Op dit moment (lente 2026) herlees ik ‘Brave New World’ van Aldous Huxley. Die nam in 1932 al een voorschot op wat Pasolini zag en waar ‘wij’ (de moderne westerse mens) sinds de 21e eeuw deel van uit maken. Worden verleidingen en hebzucht de ondergang van deze wereld? Het klinkt te bijbels om waar te zijn.

Huxley bezocht de USA al in de jaren 20 en 30 en schrok van wat hij zag. Ik vind het fascinerend om nu te lezen wat deze denkers toen meemaakten en omschreven.

Michail Bakoenin (Prjamoechino, 30 mei 1814-Bern, 1 juli 1876)

De Russische anarchistische denker en Panslavist Bakoenin heeft op het eerste gezicht geen verwantschap met de ideologieën van Gramsci of Pasolini. Toch zie ik overeenkomsten die ik graag probeer uit te leggen.

Het Panslavisme was een 19e-eeuwse politieke en culturele beweging die streefde naar eenheid en samenwerking onder alle Slavische volkeren (Russen, Oekraïners, Wit-Russen, Polen, Kasjoeben, Tsjechen, Slowaken, Sorben, Roethenen (uit Karpatië), Lemken, Hoetsoelen, Slovenen, Kroaten, Bosniakken, Serviërs, Gorani, Montenegrijnen, Macedoniërs, Bulgaren en Pomaken), vaak met Rusland als dominante beschermheer.

Het doel was om de Slavische culturele identiteit te bevorderen en later politieke autonomie of eenheid te bereiken. De tastbare erfenis is de vorming van staten als Tsjecho-Slowakije en Joegoslavië na de Eerste Wereldoorlog.

Net als Bakoenin was ook Pasolini een voorvechter van lokale culturen. Hij hield zich bezig met identiteit van volken, culturen en individuen. Zo schreef hij niet alleen in het Italiaans, maar ook in het Friulischeen Reto-Romaanse (Alpenromaanse) taal die wordt gesproken (en niet geschreven) in het uiterste noordoosten van Italië, zijn geboortegrond.

In mijn blog ‘Taal als onderdeel van identiteit’ geef ik aan hoe Pasolini zich al tijdens zijn (vooroorlogse) tienerjaren bewust was van de waarde en kwetsbaarheid van lokale dialecten. Hij zag later de directe relatie tussen communicatie en handeling en de daaruit ontstane gemeenschappen die uiteindelijk met elkaar een regio, land, volk et cetera vormen.

Door ontkenning van dit fenomeen ontstond in Italië na de Tweede Wereldoorlog een in zijn ogen ongewenste tweedeling in arm en rijk, en een opmaat naar ongeremde consumptie. Het bracht een nieuwe type mens voort. Aan de ene kant de consumerende mens en aan de andere kant een multi-etnisch subproletariaat. Net als Gramsci en Bakoenin trok Pasolini zich het lot van deze goedkope arbeidskrachten aan. Alle drie realiseerde zich in hun eigen tijd het potentieel en het belang van deze ongeorganiseerde groep binnen een samenleving.

We hadden het over Bakoenin en gaan terug naar het begin van de 19e eeuw, waar hij leefde in het Rusland van de tsaren Alexander I, Nicholas I en Alexander II. Zijn radicale ideeën en acties maakte van hem een luis in de pels van menig gezag. Hij was een aanhanger van (Georg Wilhelm Friedrich) Hegel en steunde de Februari-revolutie die leidde tot de Tweede Franse Republiek. Ook hier speelde de relatie tussen arm en rijk een grote rol.

In 1848 kwam Bakoenin op stoom en pleitte hij voor een bondgenootschap van alle Europeanen tegen ondemocratische overheden. Hij wilde dat alle Slavische volkeren zich zouden verenigen in een democratisch land dat lid zou worden van ‘de Universele Federatie van Europese Republieken’. Stel je voor wat voor een machtsblok dat had kunnen worden.

Wat volgde was een reeks acties en incidenten die lezen als een jongensboek. Check Wikipedia. Het gaat te ver om hier over uit te wijden.

Collectief-anarchisme

Net als Gramsci en Pasolini heeft Bakoenin een drang om gemeenschappen een stem en macht te geven, maar zonder een overheersende dwangmatige structuur.

Bakoenin omschreef een anarchistische samenleving, dat wil zeggen zonder een heerser. Zijn ‘Bakoenisme’ wordt het collectief-anarchisme genoemd en beschrijft een samenleving zonder staat en zonder kapitalisme. Dit spreekt mij zeer aan, hoewel ik begrijp dat het een utopisch waanidee is.

Bakoenisme in het kort:

  • Mensen organiseren zich vrijwillig in arbeidsassociaties en gemeenschappen die zich kunnen verbinden in federaties, samenwerkingsverbanden of arbeidersbewegingen.
  • Bestuurders worden democratisch gekozen en zijn altijd afzetbaar.
  • Individuen en groepen hebben zelfbeschikkingsrecht en kunnen een samenwerking op elk moment verlaten.
  • Productiemiddelen mogen alleen privébezit zijn als er geen loonarbeid of slavernij plaatsvindt.
  • Lokale gemeenschappen besturen de openbare ruimte via volksvergaderingen, en zorgen gezamenlijk voor sociale voorzieningen zoals pensioenen en gezondheidszorg voor zieken, gehandicapten en ouderen.

Let wel, Bakoenisme is iets anders dan communisme, zoals uitgelegd volgens het Communistisch Manifest (1847) van Karl Marx en Friedrich Engels. Al kon Bakoenin zich wel vinden in de opener van het manifest:

“De geschiedenis van iedere maatschappij tot nu toe is de geschiedenis van de klassenstrijd.”

Net als Gramsci gaat Bakoenin uit van een cultuur waarbij organisch een culturele en intellectuele basis ontstaat, voordat politieke macht kan veranderen. Laten we eens naar de overeenkomsten kijken.

Overeenkomsten Gramsci en Bakoenin

Om mijn verhaal niet onnodig ingewikkeld te maken – dat is het inmiddels natuurlijk wel – leg ik beide radicaal anders denkende heren naast elkaar en bespreek kort overeenkomsten en verschillen in hun visies.

Beiden hadden een eigen wijze van kritiek op autoriteit en macht en waren fel gekant tegen autoritaire structuren die de vrijheid en zelfbeschikking van mensen onderdrukken. Bakoenin verwierp alle vormen van hiërarchische macht, inclusief de staat, religie en centralistische partijen. Voor hem waren vrijheid en gelijkheid onlosmakelijk verbonden.

Ik vind dat een onwerkelijke utopische gedachte. Gramsci was kritischer op het traditionele marxisme uit zijn tijd en wees op de noodzaak van culturele hegemonie als subtielere vorm van onderdrukking. Hij zag macht als repressief en als ideologisch.

De nuance is dus dat Bakoenin elke vorm van staat en partij afwees en Gramsci juist geloofde in een ‘organische’ groep van intellectuelen die het bewustzijn van het proletariaat moest versterken. Ik vind dit een meer constructieve visie op organisatie en leiding die ook vandaag zou kunnen aanslaan. Ook al waren de voorbeelden uit het verleden niet altijd even succesvol. Denk aan de Italiaanse Communistische Partij (jaren 60–70), Spanje van na Franco, de invloed van Louis Althusser in Frankrijk (herinterpretatie van Marx), de invloed van multiculturalist Stuart Hall in het Verenigd Koninkrijk, en toepassingen in Latijns-Amerika.

Zowel Bakoenin als Gramsci geloofden in emancipatie van het volk en hechtten groot belang aan de rol van zijn eigen bevrijding. Bakoenin geloofde dat revolutie via spontane opstanden van het volk moest komen. Gramsci zag emancipatie als het resultaat van bewustwording binnen de arbeidersklasse, geholpen door ‘organische intellectuelen’ die uit die klasse zelf voort moeten komen.

Gramsci legde dus meer nadruk op strategie, organisatie en lange termijn, terwijl anarchist Bakoenin geloofde in directe, spontane actie. Dat laatste is mij te wild en past niet meer in onze tijd. Al zien we de voorbeelden dagelijks in het nieuws.

Een cruciale plek is er voor cultuur, bewustzijn en ideologie. De denkers erkenden allebei dat onderdrukking niet alleen materieel, maar ook ideologisch en cultureel van aard kon zijn. Bakoenin waarschuwde voor de macht van religie en nationalisme als middelen van onderdrukking. Krachten die door de eeuwen heen hun sporen nalieten en nog steeds spelen. Gramsci ontwikkelde het concept van culturele hegemonie, waarmee de bourgeoisie via instituties als media, onderwijs en kerk de dominante ideologie verspreidt. Van onder naar boven dus. En alleen als het ruimte krijgt.

Gramsci werkte dit cultureel/ideologisch aspect veel systematischer uit dan Bakoenin. Bakoenin zag ideologie meer als instrument van onderdrukking; Gramsci zag ook hoe onderdrukten er zelf aan konden bouwen.

Tenslotte is een wantrouwen tegenover gevestigde instellingen een duidelijke overeenkomst. Beiden wantrouwden de bestaande instellingen van hun tijd: staat, kerk, burgerlijke partijen, academies. Gramsci zag binnen instellingen ook ruimte voor ‘tegenhegemonie’. Bakoenin wilde ze eerder volledig afschaffen of vervangen door zelforganiserende structuren. Dat werkt nu niet meer. De mens is inmiddels vrijgevochten. Inmiddels lijkt elke Westerse Mens de hoofdrolspeler te willen zijn in zijn, haar of hen eigen speelfilm.

Pasolini en de haalbaarheid van denkbeelden

Inmiddels zijn we belandt in de 21e eeuw, met haar moderniteit en allesomvattende consumptiecultuur. In de herfst van 2021 schreef ik dit weinig optimistisch stukje met het klimaat als aanleiding, en de onstuitbare welvaart als bedreiging voor de wereld en haar bevolking. Quote:

“Wat betreft welvaart hadden in eerste instantie de VS en Europa een voortrekkersrol. China, India, Afrika en Zuid-Amerika nemen langzaam maar zeker het stokje over. Zij willen immers ook welvaart.”

De ideeën van Bakoenin en Gramsci vind ik schitterend en inspirerend. Vertalingen naar onze moderne tijd lijken mij een onhaalbare kaart. Pasolini bracht de ideeën verder naar meer realistische toepassingen, en in ieder geval denkrichtingen die ik nog steeds vind passen bij de tijd van nu. Ik zet er een aantal bij elkaar.

1. De staat is niet het echte probleem

Pasolini’s cruciale inzicht was dat de formele staat niet langer de primaire machtsdrager is. In essays als Scritti corsari en Lettere luterane stelt hij:

  • Het fascisme van Mussolini was zichtbaar en herkenbaar
  • De nieuwe macht opereert onzichtbaar, permissief en cultureel

Daarmee wijkt hij af van klassieke dystopieën: de onderdrukking is niet repressief maar verleidelijk. Net als Aldous Huxley beschrijft in zijn Brave New World uit 1932.

2. Consumptie als antropologische revolutie

Pasolini sprak expliciet van een ‘mutazione antropologica’:

  • Traditionele levensvormen verdwenen
  • Lokale, ongeschreven normen werden vervangen door een uniforme consumptiecultuur
  • Verschil werd niet verboden, maar uitgehold

In films als THX 1138 van George Lucas wordt de mens niet geslagen, maar geherprogrammeerd. Net als in Project 2025 heeft het als doel om een nieuwe mens voort te brengen. De stap van de huidige Westerse Wereld naar deze verontrustende vooruitzichten lijkt niet meer zo groot.

3. Moraal als machtsinstrument

Pasolini haatte de christendemocratische staat van zijn tijd:

  • Moraal werd ingezet als dekmantel
  • Seksuele bevrijding leek vrijheid, maar werd gestuurd
  • Tolerantie maskeerde conformisme

Daarin was hij zeker profetisch. Nog steeds geldt: niet de afschaffing van moraal is gevaarlijk, maar de instrumentalisering ervan!

Dat maakt Pasolini relevant voor hedendaagse projecten die zeggen ‘orde’ of ‘waarden’ te herstellen. Pasolini was geen simpele reactionair. Hij idealiseerde het verleden niet en rouwde om het verdwijnen van levende culturen. Hij verdedigde het recht op onzuiverheid, conflict en afwijking en gaf dit onverbloemd weer in zijn werken. Hoe weerzinwekkend dit ook werd uitgewerkt.

Pasolini wilde dat ongeschreven wetten konden blijven circuleren, juist omdat ze niet door de staat of markt zijn vastgelegd.

Steven Pinker, ook een favoriete denker, schreef er onlangs een fraai boek over: When Everyone Knows That Everyone Knows . . .: Common Knowledge and the Mysteries of Money, Power, and Everyday Life

. . .

<Verder uitwerken>

Een interessante vergelijking vind ik Project 2025 versus THX1138, de debuutfilm van Star Wars regisseur George Lucas. Beide concepten, een recent politiek idee in wording en een science fiction film uit 1971, raken aan vergelijkbare angsten over macht, conformisme en de ontmanteling van autonomie.

Een uitwerking zou mooi aansluiten bij thema’s:

  • Macht die zich voordoet als neutraliteit: THX 1138.
  • Macht die zich voordoet als moraal: Project 2025.
  • Macht die zich voordoet als vrijheid: Pasolini’s Italië en de opmars van het consumentisme, met name in de Westerse Wereld, en Brave New World.

In feite zijn dit drie gedaanten van hetzelfde probleem: de angst van macht voor het onvoorspelbare menselijke leven. Zoals ik het zie is religie daar dan weer een surrogaat antwoord op.

Bakoenin, Gramsci en Pasolini stonden erbij, keken ernaar en reageerde met stem, pen en acties. Dat kon toen nog. George Lucas was een van de duizenden kunstenaars, wetenschappers, politici, schrijvers, filosofen en individuen die hun waarneming en gedachten om wisten te zetten in tijdloze statements en iedereen die het horen, zien en begrijpen wil hun versie van utopie of dystopie voor te schotelen om je te informeren, inspireren en aan het denken te zetten. <new page>

<Verder uitwerken>

In 1927 schreef Julien Benda ‘La Trahison des clercs’, in het Nederlands ‘Het verraad van de intellectuelen’ (ook wel vertaald als het verraad der klerken).

Benda valt intellectuelen (schrijvers, denkers, wetenschappers) frontaal aan. Zij zouden hun ware taak verraden hebben. In plaats van waarheid en rede verdedigen, gingen ze mee in nationalisme, politieke ideologie en groepsdenken.

Benda vond dat intellectuelen juist boven de politiek moesten staan en universele waarden moesten verdedigen.

Het begrip ‘verraad van de intellectuelen’ is een klassieker geworden en wordt nog steeds gebruikt als kritiek op opiniemakers en academici. Het werk was een van de vele vroege waarschuwingen voor de opkomst van fascisme.

Ik heb ‘m gemist en ga het werk snel lezen.